De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 februari 2026 uitspraak gedaan in een belastingrechtelijke kwestie betreffende de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning. De eiser, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2023. De woning, gelegen bij een spoor, werd gewaardeerd op € 423.000,-. De eiser vond deze waarde te hoog en stelde een lagere waarde van € 350.000,- voor. Na behandeling van de zaak en evaluatie van de verschillende argumenten en bewijzen, heeft de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond verklaard en de oorspronkelijke waardebepaling van de heffingsambtenaar gehandhaafd.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap had op 28 februari 2023 de waarde van de woning vastgesteld volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Hiertegen diende de eiser bezwaar in, dat op 8 november 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de eiser beroep in bij de rechtbank.
De zaak werd behandeld op 4 november 2025. Tijdens de zitting waren de gemachtigden van beide partijen en een taxateur van de heffingsambtenaar aanwezig. De rechtbank stelde het onderzoek aanvankelijk aan en verzocht de eiser om zijn standpunt nader te onderbouwen. Uiteindelijk werd het onderzoek gesloten zonder verdere zittingen.
De woning in kwestie betreft een bovenwoning uit 1932 met een gebruiksoppervlakte van 78 m², gelegen bij een spoor. Het geschil draaide om de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij de woning werd vergeleken met verkoopprijzen van vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum waren verkocht. De bewijslast lag bij de heffingsambtenaar om aan te tonen dat de vastgestelde waarde niet te hoog was.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichtingen tijdens de zitting voldoende had aangetoond dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was. De referentiewoningen in de taxatiematrix waren volgens de rechtbank goed vergelijkbaar met de woning van de eiser, zowel qua locatie als qua bouwjaar en uitstraling.
De eiser had tijdens de zitting enkele beroepsgronden ingetrokken, waaronder die met betrekking tot artikel 40 Wet WOZ en de onderhoudstoestand van de woning. Het belangrijkste argument van de eiser was dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging van de woning bij het spoor. De rechtbank was het hier niet mee eens, omdat de referentiewoningen in de taxatiematrix ook variaties in ligging toonden, waarvan sommige direct aan het spoor lagen en andere juist verder weg.
De rechtbank concludeerde dat de woning van de eiser qua ligging en andere factoren als gemiddeld kon worden beschouwd ten opzichte van de referentiewoningen. De m2-prijs van de woning viel binnen de bandbreedte van de referentiewoningen, waarmee de heffingsambtenaar de waarde van de woning aannemelijk had gemaakt.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond. Er was geen reden voor een proceskostenveroordeling, en de uitspraak werd uitgesproken op 3 februari 2026. Partijen die het niet eens zijn met de uitspraak hebben de mogelijkheid om binnen zes weken in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




