De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag een verzoek van een appartementseigenaar afgewezen om een vervangende machtiging te verlenen voor het plaatsen van zijn scootmobiel en driewielfiets in een gemeenschappelijke containerruimte van zijn Vereniging van Eigenaren (VvE). De eigenaar, die lijdt aan een progressieve neuromusculaire aandoening, stelde dat de VvE onredelijk handelde door zijn verzoek te weigeren, omdat er geen geschikte alternatieve stallingsmogelijkheden voor zijn hulpmiddelen bestonden. De rechtbank oordeelde echter dat de eigenaar onvoldoende had aangetoond dat zijn eigen parkeerplaats in de garage geen redelijk alternatief was.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met het indienen van een verzoekschrift door de eigenaar op 16 juli 2025. De VvE diende op 29 december 2025 een verweerschrift in, waarna er aanvullende stukken werden overgelegd en op 8 januari 2026 een mondelinge behandeling plaatsvond. De rechtbank heeft de beschikking vastgesteld op 5 februari 2026.
Feitelijk gezien is het gebouw waarin de eigenaar zijn appartement bezit, gesplitst in 137 appartementsrechten. Volgens de splitsingsakte behoren de fietsenberging en de ruimte voor de vuilcontainers tot de gemeenschappelijke delen van de VvE. De eigenaar, lid van de VvE sinds 2008, gebruikte aanvankelijk de gemeenschappelijke containerruimte voor het stallen van zijn scootmobiel, met toestemming van de VvE, omdat zijn parkeerplaats door zijn auto werd bezet.
In 2023 verzocht de VvE de eigenaar om zijn scootmobiel en driewielfiets op zijn eigen parkeerplaats te plaatsen, aangezien hij geen auto meer bezit. De eigenaar wilde echter beide hulpmiddelen in de containerruimte of de containerruimte en fietsenberging stallen, zoals geadviseerd door zijn ergotherapeut. Tijdens een algemene ledenvergadering van de VvE op 15 april 2025 werden beide verzoekopties van de eigenaar afgewezen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest beoordelen of de VvE onredelijk was in haar weigering om toestemming te geven voor het stallen van de hulpmiddelen in de gemeenschappelijke ruimtes. Hierbij speelde de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH) een belangrijke rol. De rechter concludeerde dat alternatieve stallingsmogelijkheden, zoals de parkeerplaats van de eigenaar, objectief gezien redelijkerwijs geschikt moeten zijn. De ergotherapeut had verschillende locaties beoordeeld, maar de eigen parkeerplaats van de eigenaar niet meegenomen als optie. De rechtbank vond echter dat de parkeerplaats, na evaluatie van de ergotherapeutische criteria, een geschikt alternatief bood. De garage was afgesloten, de ondergrond was vlak, er was voldoende ruimte voor de transfer van de eigenaar, en er was een mogelijkheid om een oplaadpunt te installeren.
De rechtbank stelde dat de VvE voldoende aangetoond had dat er redelijke alternatieven beschikbaar waren en dat de weigering van de VvE gerechtvaardigd was. De rechtbank wees de gevraagde vervangende machtiging af en veroordeelde de eigenaar in de proceskosten van de VvE, ten bedrage van € 677,00. De beslissing benadrukte het belang van objectieve beoordeling van alternatieven vanuit het perspectief van de specifieke handicap of ziekte van de eigenaar, en erkende het recht van de VvE om gemeenschappelijke ruimtes in overeenstemming met de splitsingsakte te beheren.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



