De zaak in het kort
De Rechtbank Rotterdam heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan over een omgevingsvergunning die was verleend door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Deze vergunning had betrekking op het legaliseren van een bestaande stalen ligger onder de achtergevel van een woning. De Vereniging van Eigenaren (VvE) was het niet eens met deze vergunning en stelde dat de vergunning had moeten worden geweigerd omdat er niet aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012 zou zijn voldaan. De rechtbank heeft het beroep van de VvE echter ongegrond verklaard, waarmee de omgevingsvergunning in stand blijft.
Het verloop van het proces en de feiten
De omgevingsvergunning was verleend met als doel het legaliseren van een stalen ligger onder de achtergevel van de woning van de vergunninghouder. Deze woning is gelegen aan een specifiek adres in Rotterdam. De VvE, die de belangen van twee naastgelegen woningen vertegenwoordigt, had bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Zij voerde aan dat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de bouwkundige rapporten die ten grondslag lagen aan de aanvraag. De VvE stelde dat hierdoor niet aannemelijk was gemaakt dat aan het Bouwbesluit 2012 werd voldaan.
De zaak kwam voort uit een eerder conflict over de verbouwing van de woning van de vergunninghouder, waarvoor al in eerdere jaren omgevingsvergunningen waren verleend. De VvE had ook in eerdere procedures verzocht om handhaving tegen de vergunninghouder, maar zonder succes.
In de beroepsprocedure werden diverse technische en bouwkundige aspecten betwist door de VvE. Ze maakten bezwaar tegen de berekeningen en aannames die in het bouwkundig rapport werden gebruikt, en stelden dat er fouten waren gemaakt in de constructieberekeningen en dat de gebruikte materialen en constructies niet deugden.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank kwam tot het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders terecht de omgevingsvergunning had verleend. De rechtbank benadrukte dat het college bij de beoordeling van de aanvraag moest uitgaan van de ingediende aanvraag en bijbehorende rapporten, en niet van de feitelijke situatie. De rechtbank oordeelde dat het college aannemelijk mocht achten dat aan het Bouwbesluit 2012 was voldaan op basis van de stukken die bij de aanvraag waren gevoegd.
De rechtbank behandelde de specifieke bezwaren van de VvE en vond dat deze betrekking hadden op handhavingskwesties die in deze procedure niet aan de orde waren. De rechtbank vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het bouwkundig rapport en de berekeningen daarin, ook niet in het licht van het door de VvE overgelegde tegenrapport van ConstructieShop.nl. De rechtbank stelde dat het college terecht de berekeningen en aannames uit het bouwkundig rapport had kunnen volgen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van onzorgvuldig handelen door het college, aangezien de gebruikelijke procedure was gevolgd waarbij overleg met de aanvrager had plaatsgevonden. De VvE kreeg geen gelijk in haar stelling dat er strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep van de VvE ongegrond, wat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft en de VvE geen teruggave van griffierecht en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De VvE heeft de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



