De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft zich gebogen over een geschil omtrent de permanente bewoning van een recreatiewoning op een recreatiepark. De eigenaar van het recreatiepark, aangeduid als [eiseres], had een procedure aangespannen tegen [eiser], de eigenaar van de recreatiewoning, omdat deze laatste zijn chalet permanent zou bewonen, in strijd met de contractuele afspraken en het gemeentelijke bestemmingsplan. De rechtbank heeft grotendeels in het voordeel van [eiseres] geoordeeld, waardoor [eiser] de permanente bewoning van het chalet moet beëindigen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een tussenvonnis op 5 november 2025, gevolgd door diverse akten van beide partijen. [eiser] is sinds 2006 eigenaar van de grond en de recreatiewoning, waar hij volgens [eiseres] permanent woont, wat volgens hen niet is toegestaan. [eiseres] heeft een verbod op permanente bewoning geëist, terwijl [eiser] betoogde dat [eiseres] geen belang had bij het handhaven van dit verbod, aangezien dit door een toekomstige Vereniging van Eigenaren (VvE) zou moeten worden gehandhaafd.
In de rechtszaak stond de vraag centraal of er een geldige afspraak was tussen [eiseres] en [eiser] die permanente bewoning verbood. [eiseres] baseerde haar vordering op de akte van levering, de koopovereenkomst en het huishoudelijk reglement, waarin volgens hen een verbod op permanente bewoning was vastgelegd. [eiser] voerde aan dat deze afspraken niet bestonden of dat ze nietig waren omdat de VvE nooit was opgericht.
De rechtbank heeft de documenten onderzocht en geconcludeerd dat er een duidelijke afspraak bestond die permanente bewoning verbood. Volgens de rechtbank maakte de akte van levering een koppeling tussen het verbod op permanente bewoning en de geldende overheidsregels, maar was deze koppeling niet bepalend voor de geldigheid van het verbod. De afspraak was ook vastgelegd in het huishoudelijk reglement, dat deel uitmaakte van de koopovereenkomst en waarmee [eiser] akkoord was gegaan.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] in strijd handelde met het verbod op permanente bewoning. Volgens de rechtbank had [eiser] geen hoofdverblijf elders, waardoor hij de recreatiewoning feitelijk als zijn permanente woning gebruikte. De rechtbank vond dat het verbod op permanente bewoning niet afhankelijk was van het gemeentelijke gedoogbeleid voor recreatiewoningen en dat privaatrechtelijke afspraken, zoals de koopovereenkomst en het huishoudelijk reglement, onverminderd geldig bleven.
Verder oordeelde de rechtbank dat [eiser] geen gerechtvaardigd vertrouwen kon hebben dat hij permanent in de recreatiewoning mocht wonen, ondanks het feit dat hij al jarenlang in de woning verbleef zonder dat [eiseres] handhavend optrad. De rechtbank wees erop dat [eiseres] hem herhaaldelijk op de hoogte had gesteld van het verbod op permanente bewoning.
De rechtbank verbood [eiser] om de recreatiewoning als hoofdverblijf te gebruiken, met een termijn van zes maanden om aan het vonnis te voldoen. Ook legde de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag, met een maximum van €10.000, voor iedere dag dat [eiser] in strijd met het verbod handelde. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat [eiser] zich eraan moet houden, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld. Tot slot veroordeelde de rechtbank [eiser] tot het betalen van de proceskosten, begroot op €2.656,52.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



