De zaak in het kort
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen een huurder ([partij A]) en een verhuurder ([partij B]) over de terugbetaling van de waarborgsom en de servicekosten na afloop van een huurovereenkomst. [partij A] huurde van 1 oktober 2024 tot 20 juni 2025 een woning van [partij B]. Na het einde van de huurovereenkomst heeft [partij B] de waarborgsom niet terugbetaald, omdat hij deze wilde verrekenen met de door hem geleden schade aan de woning. Tevens ontstond er een geschil over de servicekosten die [partij A] betaald had. De kantonrechter oordeelde dat [partij B] een deel van de waarborgsom en een groot deel van de in rekening gebrachte servicekosten aan [partij A] moet terugbetalen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van [partij A] tegen [partij B], waarin [partij A] teruggave van de waarborgsom en teveel betaalde servicekosten vorderde. [partij B] had de waarborgsom ingehouden vanwege vermeende schade aan de woning en had bovendien servicekosten in rekening gebracht die volgens [partij A] inbegrepen waren bij de huurprijs.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 werden de feiten verder uitgewerkt. [partij A] en [partij B] hadden een huurovereenkomst gesloten voor een woning, waarbij [partij A] een waarborgsom van € 2.600,- betaalde. Volgens de huurovereenkomst moest [partij B] deze waarborgsom binnen veertien dagen na het einde van de huurperiode terugbetalen, tenzij er sprake was van schade. Na de eindinspectie van de woning op 18 juni 2025, waaruit bleek dat de woning niet voldoende was schoongemaakt, besloot [partij B] de waarborgsom niet terug te betalen. [partij B] stelde dat hij kosten had gemaakt voor schoonmaak en vervangingen van apparatuur.
Daarnaast was er discussie over de servicekosten van € 476,75 per maand. [partij A] stelde dat deze kosten onterecht waren, aangezien zij volgens de huurovereenkomst al in de huurprijs inbegrepen waren. [partij B] was echter van mening dat deze kosten separaat overeengekomen waren.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank beoordeelde de zaak en kwam tot de conclusie dat [partij B] niet alle kosten die hij wilde verrekenen met de waarborgsom voldoende had onderbouwd. De kantonrechter oordeelde dat slechts een deel van de schoonmaakkosten en de vervanging van het beddengoed gerechtvaardigd waren. Voor de overige posten, zoals de hotelkosten en de kosten voor de airfryer en koffiemachine, ontbrak het aan voldoende bewijs.
Voor wat betreft de servicekosten oordeelde de rechtbank dat in de huurovereenkomst duidelijk was opgenomen dat de kosten voor nutsvoorzieningen en internet/televisie bij de huurprijs inbegrepen zijn. Daarom was het onterecht dat [partij B] hiervoor extra kosten in rekening had gebracht. Ook de kosten voor de stoffering en meubilering konden niet in de hoogte worden gerechtvaardigd zoals [partij B] dat had gedaan, aangezien hij geen inzicht had gegeven in de waarde van de roerende zaken.
De kantonrechter bepaalde dat [partij B] een bedrag van € 5.328,15 aan [partij A] moet terugbetalen, inclusief de wettelijke rente over een deel van de waarborgsom. Daarnaast werd [partij B] veroordeeld tot betaling van de incassokosten en de proceskosten. Hiermee werd het grootste deel van de vorderingen van [partij A] toegewezen, terwijl de tegenvorderingen van [partij B] grotendeels werden afgewezen. De uitspraak biedt een duidelijke illustratie van hoe verhuurders en huurders hun afspraken omtrent waarborgsom en servicekosten moeten vastleggen en naleven, en hoe de rechtbank dergelijke geschillen beoordeelt.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



