De zaak in het kort
De rechtbank Overijssel heeft een uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in Leusden. De eigenaar van de woning, hierna aangeduid als “belanghebbende”, had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van € 405.000,- door de heffingsambtenaar van het GBLT voor het belastingjaar 2024. Belanghebbende vond deze waarde te hoog. De rechtbank oordeelde dat de waarde inderdaad te hoog was vastgesteld, en verlaagde deze naar € 377.000,-. Echter, de rechtbank wees een verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de fout mede te wijten was aan de door belanghebbende verstrekte informatie.
Het verloop van het proces en de feiten
Belanghebbende is eigenaar van een appartement dat in 1993 is gebouwd en een gebruiksoppervlak van 79 m² heeft. De woning bevindt zich in een appartementencomplex en beschikt over een berging. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op basis van vergelijkingen met vier andere woningen die in dezelfde periode verkocht waren. De vergelijkingsobjecten hadden prijzen die varieerden van € 364.182,- tot € 431.763,-, en de door de heffingsambtenaar gebruikte taxatiematrix kwam uit op een waarde van € 409.000,- voor belanghebbendes woning.
Belanghebbende voerde verschillende bezwaren aan tegen de vastgestelde waarde. Ze stelde dat er onterecht een hoger voorzieningenniveau was toegekend aan haar woning vergeleken met de vergelijkingsobjecten, ondanks dat de keukens vergelijkbaar waren. Ook stelde ze dat de heffingsambtenaar geen rekening had gehouden met de VVE-reserve per woning en wees op lagere WOZ-waarden van vergelijkbare appartementen in hetzelfde complex.
De heffingsambtenaar verdedigde de vastgestelde waarde door te wijzen op verschillen in keukenvoorzieningen, zoals gebaseerd op foto’s en inlichtingen van eigenaren van vergelijkingsobjecten. Ook werd gesteld dat belanghebbende zelf had aangegeven dat haar keuken tussen de 5 en 15 jaar oud was, wat een gemiddelde beoordeling rechtvaardigde.
Tijdens de zitting op 8 april 2026 werd het beroep behandeld, hoewel belanghebbendes gemachtigde zich had afgemeld voor de zitting. De rechtbank moest beoordelen of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog had vastgesteld.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het beroep van belanghebbende gegrond was. Ze stelde vast dat de heffingsambtenaar zich had gebaseerd op informatie die door belanghebbende zelf was verstrekt en dat deze informatie onjuist bleek. De keuken van belanghebbende verschilde niet wezenlijk van die van de vergelijkingsobjecten, en de voorzieningen moesten daarom als ondergemiddeld worden beoordeeld. Dit leidde tot een verlaging van de WOZ-waarde van de woning naar € 377.000,-.
Hoewel het beroep gegrond werd verklaard, wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af. De reden hiervoor was dat de fout in de waardering mede veroorzaakt was door de onjuiste informatie van belanghebbende zelf. De heffingsambtenaar kon daarom niet worden verweten dat de oorspronkelijke beschikking onrechtmatig was.
De rechtbank verminderde de aanslag onroerendezaakbelastingen 2024 en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende werd vergoed. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd, maar er werd geen vergoeding voor de proceskosten toegekend. De rechtbank benadrukte dat de heffingsambtenaar de normale zorgvuldigheid had betracht bij het vaststellen van de waarde en dat de foutieve waardering niet aan hem te wijten was.
Partijen die het niet eens zijn met de uitspraak, hebben de mogelijkheid om binnen zes weken in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




