De zaak in het kort
In deze zaak beoordeelt de rechtbank Overijssel het beroep van een huiseigenaar tegen een eerder genomen besluit van de heffingsambtenaar met betrekking tot de waardevaststelling van een woning voor de onroerendezaakbelasting. De eigenaar van de woning vond de vastgestelde WOZ-waarde te hoog en diende bezwaar in tegen de beschikking van de heffingsambtenaar, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat de vastgestelde WOZ-waarde inderdaad te hoog was, maar het verzoek om vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De woning in kwestie is een appartement uit 1993 met een oppervlakte van 79 m², gelegen in de gemeente Leusden. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 405.000,-. De eigenaar van de woning, vertegenwoordigd door een gemachtigde, maakte bezwaar tegen deze waardevaststelling, maar het bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op een taxatiematrix, waarin vergelijkbare woningen als referentie werden genomen. Deze vergelijkingsobjecten werden als vergelijkbaar erkend door beide partijen.
Het belangrijkste geschilpunt was het voorzieningenniveau van de woning. De heffingsambtenaar had de voorzieningen in de woning van de belanghebbende als ‘gemiddeld’ beoordeeld, terwijl de eigenaar stelde dat deze ‘beneden gemiddeld’ waren en dat dit een significante invloed had op de waarde van de woning. Er werd ook gewezen op het verschil in VVE-reserves en de lagere WOZ-waarden van vergelijkbare appartementen in hetzelfde complex. De heffingsambtenaar verdedigde zijn standpunt door te verwijzen naar foto’s en verklaringen van eigenaren van vergelijkbare woningen, die aangaven dat hun keukens ouder waren.
Bij de behandeling van het beroep op 8 april 2026, waar de gemachtigde van de eigenaar niet bij aanwezig was, concludeerde de rechtbank dat de heffingsambtenaar zich had gebaseerd op onjuiste informatie met betrekking tot de staat van de keuken. De rechtbank oordeelde dat de voorzieningen van de woning als ‘beneden gemiddeld’ moesten worden gewaardeerd, wat leidde tot een lagere vaststelling van de WOZ-waarde.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank verklaarde het beroep van de huiseigenaar gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. De rechtbank bepaalde dat de correcte WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023 € 377.000,- moest zijn. De rechtbank verminderde ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2024 naar deze waarde.
Ondanks het positieve oordeel over de hoogte van de WOZ-waarde, wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. De reden hiervoor was dat de onjuiste waarde niet te wijten was aan een fout van de heffingsambtenaar, maar aan de (on)bewust onjuiste informatie die door de eigenaar zelf was verstrekt over de staat van de keuken. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende zorgvuldigheid had betracht bij het vaststellen van de waarde, gebaseerd op de informatie die beschikbaar was op dat moment. Hierdoor was er geen sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid die een proceskostenvergoeding zou rechtvaardigen.
Als gevolg van de uitspraak wordt het griffierecht van € 53,- aan de belanghebbende vergoed, maar verdere kostenvergoedingen worden afgewezen. De huiseigenaar heeft de mogelijkheid om binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



