De zaak in het kort
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam beslist dat eigenaren van een woning niet mogen beginnen met de uitvoering van hun bouwplannen. De Vereniging van Eigenaren (VVE) en meerdere individuele eisers vreesden onrechtmatige hinder voor de appartementseigenaren in het naastgelegen pand. De rechter heeft geoordeeld dat er een aanzienlijke kans is dat in een bodemprocedure deze bouwplannen als onrechtmatige hinder worden beschouwd. Hierdoor worden de bouwplannen voorlopig verboden, met een dwangsom voor overtreding van deze bepaling.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een kort geding aangespannen door de Vereniging van Eigenaren en individuele bewoners (VVE c.s.) tegen de eigenaren van een woning, aangeduid als [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Deze eigenaren hadden een onherroepelijke omgevingsvergunning verkregen voor het verhogen en uitbouwen van hun woning. De VVE en andere betrokkenen hadden bezwaren tegen deze plannen, omdat zij vreesden dat de bouw onrechtmatige hinder zou veroorzaken, zoals verminderde toegang tot daglicht, zonlicht, en een verslechterd uitzicht voor de aangrenzende appartementseigenaren.
Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 2 maart 2026, voerden beide partijen hun standpunten aan de hand van pleitnota’s. De VVE ondersteunde hun claims met een bezonnings-, daglicht- en uitzichtonderzoek. De gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hadden daar weinig weerwoord op en stelden geen vergelijkbare onderzoeken tegenover het bewijs van de VVE.
De voorzieningenrechter moest daardoor de belangen afwegen: enerzijds de potentiële onomkeerbare schade voor de appartementseigenaren van de VVE en anderzijds het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om hun bouwplannen voort te zetten. De rechter oordeelde dat de belangen van de VVE zwaarder wogen, met name omdat de gevolgen van de bouw moeilijk terug te draaien zouden zijn als de VVE in een later stadium gelijk zou krijgen in een bodemprocedure.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter besloot dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorlopig verboden zijn om hun bouwplannen uit te voeren. Dit verbod geldt totdat er in een bodemprocedure anders wordt beslist. Aan deze veroordeling is een aanzienlijke dwangsom verbonden: € 200.000 ineens en € 50.000 per dag dat de gedaagden het verbod overtreden, tot een maximum van € 1.000.000. Dit bedrag moet voorkomen dat de gedaagden alsnog doorgaan met de bouwactiviteiten.
Daarnaast werden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeeld tot het betalen van de proceskosten, die werden begroot op € 2.255,09. Deze vergoeding moet binnen veertien dagen na aanschrijving worden voldaan, anders zijn zij ook wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag. De proceskostenveroordeling is hoofdelijk uitgesproken, wat betekent dat elke gedaagde verantwoordelijk is voor het volledige bedrag, hoewel betaling door een van hen de verplichting van de ander vermindert.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de verboden en de dwangsom onmiddellijk van kracht zijn, ondanks een eventuele hoger beroep. Daarmee beoogt de rechtbank te voorkomen dat de gedaagden alsnog met de bouw beginnen en de mogelijke schade aan de appartementseigenaren onomkeerbaar wordt.
Deze uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging bij bouwprojecten die de rechten en het woongenot van omwonenden kunnen beïnvloeden. Het toont ook de bereidheid van de rechterlijke macht om preventieve maatregelen te treffen in situaties waarin onomkeerbare schade dreigt, zelfs als er al een omgevingsvergunning is verleend. Dit onderstreept het belang van het hebben van solide evidence ter ondersteuning van claims van onrechtmatige hinder.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




