De zaak in het kort
In een kort geding voor de rechtbank Amsterdam vorderden kopers een voorschot op schadevergoeding van € 132.374 voor vermeende gebreken aan een woning die zij hadden gekocht. De kopers stelden dat deze gebreken, die het normale gebruik van de woning zouden belemmeren, niet aan hen bekend of kenbaar waren bij het aangaan van de koopovereenkomst. Zij meenden dat de verkopers op de hoogte waren van de gebreken en hen hierover hadden moeten informeren. De rechtbank wees de vordering af, omdat niet voldoende was aangetoond dat de gebreken niet kenbaar waren voor de kopers en de hoogte van de vordering niet duidelijk was.
Het verloop van het proces en de feiten
De kopers hadden in augustus 2025 een woning bezichtigd die zij uiteindelijk in oktober 2025 kochten voor € 960.000 zonder de betrokkenheid van een makelaar. Voorafgaand aan de koop had een bouwkundig onderzoek enkele gebreken aangetoond, maar deze leidden niet tot nader onderzoek door de kopers. Na aankoop en bij aanvang van een verbouwing werden ernstige gebreken ontdekt, zoals houtrot en zwamvorming in de vloerconstructie en gebreken aan de aanbouw. De kopers stelden dat deze gebreken het normale gebruik van de woning belemmerden en dat zij hiervan niet op de hoogte waren bij de aankoop. Ze beweerden dat de verkopers hen opzettelijk niet hadden geïnformeerd over deze gebreken en vorderden een voorschot op de herstelkosten.
De verkopers betwistten de vordering en stelden dat zij niet op de hoogte waren van de gebreken. Zij hadden alle informatie die zij hadden met de kopers gedeeld en voerden aan dat de gebreken kenbaar hadden kunnen zijn voor de kopers door eigen onderzoek voorafgaand aan de koop. Bovendien betoogden de verkopers dat de hoogte van de geldvordering onduidelijk was, mede omdat de Vereniging van Eigenaren (VvE) verantwoordelijk zou zijn voor een deel van de herstelkosten.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam oordeelde dat er terughoudendheid geboden is bij het toewijzen van een geldsom in kort geding. De rechter moest onderzoeken of de vordering van de kopers voldoende aannemelijk was en of er sprake was van onverwijlde spoed.
De rechtbank stelde vast dat de gebreken aan de woning weliswaar aanwezig waren, maar dat het niet aannemelijk was dat de gebreken niet kenbaar waren voor de kopers. De kopers hadden de sleutels van de woning al enige tijd voor de aankoop en hadden zelf onderzoek kunnen (laten) doen. Ook bleek niet duidelijk dat de verkopers op de hoogte waren van de gebreken, gezien de tegenstrijdige verklaringen van een loodgieter die bij de woning betrokken was geweest.
Bovendien was de vordering niet duidelijk qua hoogte, onder andere omdat de VvE verantwoordelijk zou kunnen zijn voor een deel van de herstelkosten en er geen rekening was gehouden met een ‘nieuw voor oud’-correctie. Om deze redenen werd het gevraagde voorschot op de schadevergoeding afgewezen.
Daarnaast werd de vordering van de kopers om inzage te verkrijgen in bepaalde financiële bescheiden van de verkopers afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond. Deze vordering was onvoldoende bepaald en viel niet onder de relevante artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De rechtbank veroordeelde de kopers in de proceskosten, die in totaal € 4.169 bedroegen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




