###
De zaak in het kort
In deze zaak heeft VVE Beheer Haarlem B.V. (VBH) een rechtsvordering ingesteld tegen twee gedaagden voor het betalen van achterstallige servicekosten. De rechtbank Noord-Holland heeft de vordering van VBH toegewezen, waardoor de gedaagden zijn veroordeeld tot het betalen van € 2.385,48. Echter, de rechtbank heeft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat de 14-dagenbrief niet aan de wettelijke vereisten voldeed. De wettelijke rente over de hoofdsom is toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een tussenvonnis op 16 juli 2025, gevolgd door verschillende aktes en mondelinge antwoorden van beide partijen in de daaropvolgende maanden. VBH vorderde uiteindelijk een hoofdsom van € 2.385,48, buitengerechtelijke incassokosten van € 489,53, en vervallen rente van € 101,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de volledige betaling.
De gedaagden erkenden een betalingsachterstand in de servicekosten, maar betwistten het gevorderde bedrag, stellende dat eerdere betalingen niet waren verwerkt. Zij voerden aan dat zij de servicekosten vanaf december 2024 wel hadden voldaan en zelfs extra betalingen hadden gedaan. Ondanks meerdere pogingen tot het treffen van een betalingsregeling, reageerde VBH hier niet op.
In het tussenvonnis werd VBH toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij een vordering op de gedaagden had. VBH onderbouwde haar positie als incassogemachtigde van de Vereniging van Eigenaren middels een inschrijving in het Handelsregister. De gedaagden betwistten echter dat VBH nog steeds als incassogemachtigde fungeerde, aangezien er een nieuwe beheerder was aangesteld. Desondanks bleek uit de overgelegde brief dat het contract tussen de vereniging en VBH ongewijzigd bleef.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de betalingsachterstand van de gedaagden onbetwist was, hoewel de omvang ervan verschilde volgens de partijen. Aanvankelijk bedroeg de achterstand € 2.795,72, maar na het indienen van een geactualiseerd overzicht door VBH, werd deze achterstand bijgesteld naar € 2.385,48. De rechtbank wees dit bedrag toe, omdat de gedaagden niet concreet en gemotiveerd hadden weersproken dat dit bedrag niet correct was.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke vereisten, met name het ontbreken van een betalingstermijn van 14 dagen. Wat betreft de wettelijke rente, wees de rechtbank dit onderdeel van de vordering af wegens onvoldoende specificatie van de periode waarvoor rente werd berekend. Echter, de wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom werd toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De rechtbank besloot de proceskosten te compenseren, waardoor elke partij haar eigen kosten droeg. Deze beslissing was gebaseerd op de onduidelijkheid over wie gerechtigd was om de vordering te innen en de reeds lopende betalingen van de gedaagden. Bovendien werd de veroordeling hoofdelijk uitgesproken, wat inhoudt dat de gedaagden gezamenlijk aansprakelijk zijn voor het volledige bedrag, maar dat als één van hen betaalt, de ander dat bedrag niet meer verschuldigd is.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd ondanks eventuele hoger beroep procedures. De rechtbank wees alle verdere of anderszins gevorderde verzoeken af.
Deze uitspraak illustreert de noodzaak voor eisende partijen om hun vorderingen zorgvuldig te onderbouwen en aan alle wettelijke vereisten te voldoen, zoals bij het versturen van aanmaningen. Eveneens benadrukt het de verantwoordelijkheid van de gedaagden om adequaat verweer te voeren en eventuele betalingen gedocumenteerd te hebben.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




