De zaak in het kort
In deze rechtszaak hebben de verhuurders, aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2], een vordering tot ontruiming ingediend tegen [gedaagde], de huurder van een woning. De verhuurders stelden dat [gedaagde] en zijn bezoekers ernstige en structurele overlast veroorzaakten. Ondanks het feit dat [gedaagde] geen nieuwe huurovereenkomst had ondertekend, bleef hij in de woning wonen en de huur betalen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de overlast voldoende ernstig en structureel is en dat er voldoende kans is dat in een bodemprocedure de ontruiming en ontbinding van de huurovereenkomst zullen worden toegewezen. Daarom heeft de rechter in dit kort geding de ontruiming van de woning toegewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een dagvaarding en een mondelinge behandeling op 19 januari 2026. Tijdens de procedure werden de feiten rondom de huurovereenkomst en de overlastklachten besproken. De oorspronkelijke huurovereenkomst was tussen [eiser 2] en een bedrijf, [bv], waarbij [bv] de woning onderverhuurde aan [gedaagde]. Na het einde van deze overeenkomst hebben [eiser 1] en [eiser 2] geprobeerd een nieuwe huurovereenkomst met [gedaagde] te sluiten, maar deze werd nooit ondertekend door [gedaagde]. Desondanks bleef [gedaagde] in de woning wonen en huur betalen.
Er waren talrijke klachten over overlast van [gedaagde] en zijn bezoekers, variërend van geluidsoverlast tot vernielingen, en zelfs meldingen van drugsgebruik in de gemeenschappelijke ruimtes. De verhuurders hadden meerdere malen geprobeerd [gedaagde] tot ander gedrag te bewegen en hulpverleningstrajecten opgestart, maar zonder resultaat. De bewindvoerder van [gedaagde] betwistte de ernst van de overlast en gaf aan dat er geen spoedeisend belang was voor de ontruiming.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat [eiser 1] geen partij was in de oorspronkelijke huurovereenkomst en derhalve geen vordering tot ontruiming kon instellen. De vordering van [eiser 2] daarentegen werd wel inhoudelijk beoordeeld. De rechter moest bepalen of de overlast ernstig genoeg was om de huurovereenkomst te ontbinden en tot ontruiming over te gaan.
Op basis van de verzamelde klachten en incidenten, waaronder het gebruik van geweld door [gedaagde] en zijn bezoekers, oordeelde de rechter dat de overlast zowel ernstig als structureel was. De rechter vond het ook aannemelijk dat [eiser 2] voldoende pogingen had gedaan om de situatie te verbeteren, maar dat deze mislukt waren vanwege een gebrek aan medewerking van [gedaagde].
De kantonrechter vond dat de belangen van de verhuurder zwaarder wogen dan de belangen van [gedaagde], vooral gezien de ernst van de klachten en het feit dat er geen vooruitzicht was op verbetering van de situatie. Daarom werd de ontruiming van de woning toegewezen, met een termijn van veertien dagen voor [gedaagde] om de woning te verlaten. De bewindvoerder werd ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aangezien zij grotendeels in het ongelijk was gesteld.
De uitspraak benadrukt het belang van huurbescherming, maar ook de verantwoordelijkheid van de huurder om zich te gedragen als een goed huurder. In gevallen van ernstige overlast kan de rechter besluiten tot ontruiming, zelfs in een kort geding, indien aannemelijk is dat een bodemprocedure in het voordeel van de verhuurder zou uitvallen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




