De zaak in het kort
In deze zaak stond een conflict centraal tussen een bewoner, aangeduid als eiser, en de burgemeester van de gemeente Utrecht. De kwestie draaide om de verwijdering van een geveltuin die de eiser samen met de eigenaar van de benedenwoning in 2019 had aangelegd voor hun pand. In 2024 verzocht de eigenaar van de benedenwoning de gemeente om de geveltuin te verwijderen. De burgemeester gaf hieraan gehoor en mededeelde de verwijdering aan de eiser. De eiser maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar de burgemeester verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De eiser was het hier niet mee eens en stelde beroep in bij de rechtbank, die uiteindelijk oordeelde dat de mededeling inderdaad geen besluit was en verklaarde het beroep ongegrond.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiser woont in een bovenwoning en had samen met de eigenaar van de benedenwoning, die de benedenwoning verhuurt, de gemeente verzocht om een geveltuin aan te leggen. Deze geveltuin werd in 2019 gerealiseerd. In augustus 2024 verzocht de eigenaar van de benedenwoning om de verwijdering van de geveltuin. De burgemeester stuurde daarop een e-mail aan de eiser waarin werd medegedeeld dat de geveltuin zou worden verwijderd. De verwijdering vond plaats in september 2024.
De eiser maakte bezwaar tegen de mededeling van de burgemeester, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ging om een mededeling over een feitelijke handeling, namelijk het verwijderen van de geveltuin, en niet om een besluit. De eiser stelde daarop beroep in bij de rechtbank. De rechtbank behandelde de zaak tijdens een zitting op 13 augustus 2025, waarbij de behandeling werd geschorst om de burgemeester de gelegenheid te geven nadere vragen te beantwoorden. Na schriftelijke beantwoording van deze vragen door de burgemeester en een schriftelijke reactie van de eiser vond een tweede zitting plaats op 17 december 2025.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest bepalen of de mededeling van de burgemeester over de verwijdering van de geveltuin een besluit was waartegen bezwaar en beroep openstond. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was. Er was sprake van een feitelijke handeling, en de mededeling daarvan was geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar van de eiser was terecht niet-ontvankelijk verklaard, en daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank legde uit dat het zelfbeheerbeleid van de gemeente Utrecht burgers toestaat om zonder vergunning geveltuinen aan te leggen, zolang aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dit betekent dat er geen sprake is van een besluit bij de aanleg van een geveltuin, omdat er geen vergunning of toestemming van de gemeente nodig is. Het beleid is er op gericht burgers feitelijk te betrekken bij het beheer van de openbare ruimte, zonder dat dit rechtsgevolgen schept. Het niet langer betrekken van burgers bij het beheer van de openbare ruimte, zoals in het geval van de verwijdering van de geveltuin, is eveneens geen besluit in bestuursrechtelijke zin.
De rechtbank concludeerde dat de eiser geen beroep kon instellen bij de bestuursrechter, omdat er geen besluit was waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af en gaf aan dat de eiser, indien hij van mening was dat de burgemeester onrechtmatig had gehandeld, zich tot de civiele rechter kon wenden. Tot slot wees de rechtbank erop dat de eiser geen recht had op teruggave van het griffierecht of vergoeding van proceskosten, aangezien het beroep ongegrond was verklaard.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



