De zaak in het kort
In deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag werd beoordeeld of de belanghebbende in aanmerking kwam voor het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% bij de aankoop van een recreatiewoning. Het centrale vraagstuk was of de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf werd gebruikt, zoals vereist volgens artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr). De rechtbank en het hof oordeelden dat de belanghebbende niet had aangetoond dat deze woning haar centrale levensplaats was, waardoor het verlaagde belastingtarief niet van toepassing was.
Het verloop van het proces en de feiten
Belanghebbende huurde sinds november 2022 een kamer in [woonplaats 1] en kocht in januari 2024 voor € 100.000 een recreatiewoning in [woonplaats 2]. In de leveringsakte werd vermeld dat de woning alleen voor recreatief gebruik bedoeld was, en permanente bewoning was niet toegestaan. Ondanks deze restricties gaf de belanghebbende in een verklaring aan dat zij de woning na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zou gebruiken.
Bij de verkrijging van de woning werd 10,4% overdrachtsbelasting voldaan. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze heffing en stelde in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief van 2%, op basis van het standpunt dat de woning haar hoofdverblijf was. Dit bezwaar werd door de inspecteur afgewezen, evenals het daaropvolgende beroep bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij de belanghebbende lag om aan te tonen dat de woning haar centrale levensplaats was. De belanghebbende slaagde hier niet in, omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat de woning daadwerkelijk haar hoofdverblijf was.
In hoger beroep voerde de belanghebbende aan dat zij slechts twee dagen per week in [woonplaats 1] verbleef en de overige vijf dagen in de woning in [woonplaats 2]. Ze stelde dat ze daar boodschappen deed, sociale contacten onderhield en betrokken was bij de Vereniging van Eigenaren (VvE). Ze overhandigde bankafschriften als bewijs van haar aanwezigheid in de omgeving van de woning. De inspecteur stelde daarentegen dat de belanghebbende geen objectieve gegevens had verstrekt die aantoonden dat de woning duurzaam als hoofdverblijf werd gebruikt. Er werd opgemerkt dat de woning niet als permanente bewoning was toegestaan volgens het bestemmingsplan en dat de gemeente [gemeente 2] handhaving uitvoerde tegen niet toegestaan gebruik.
De beslissing van de rechtbank.
Het Gerechtshof Den Haag bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de belanghebbende niet had voldaan aan de bewijslast om te tonen dat de woning haar centrale levensplaats was. Het hof benadrukte dat de betrokkenheid van de belanghebbende bij de coöperatie en de VvE niet voldoende bewees dat de woning haar hoofdverblijf was. De overgelegde pinbetalingen toonden voornamelijk uitgaven in het weekend, wat eerder op recreatief gebruik duidde. Bovendien had de belanghebbende haar huurwoning in [woonplaats 1] aangehouden, wat erop wees dat haar hoofdverblijf daar was. Het hof vond dat de belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om aan te tonen dat ze de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikte. Daarom werd het verlaagde tarief van 2% niet toegepast en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
Het hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




