De zaak in het kort
De rechtbank Overijssel heeft een uitspraak gedaan over de waardering van een woning onder de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). De eigenaar van de woning, belanghebbende, had beroep aangetekend tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde, omdat deze volgens haar te hoog was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verlaagde de waarde van de woning, maar kende geen vergoeding van proceskosten toe aan de belanghebbende.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een vaststelling door de heffingsambtenaar van de gemeente Leusden die de waarde van de woning van belanghebbende op 1 januari 2023 op € 405.000,- had vastgesteld. Deze vaststelling leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. De belanghebbende, vertegenwoordigd door ir. B.A.M. Slockers, diende een bezwaar in tegen deze vaststelling, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag.
Belanghebbende betwistte de WOZ-waarde met als argumenten dat het voorzieningenniveau van haar woning ten onrechte als gemiddeld was aangemerkt terwijl het gelijk was aan vergelijkbare woningen die als beneden gemiddeld werden beoordeeld. Ze stelde ook dat er geen rekening was gehouden met de VVE-reserve per woning en wees op lagere WOZ-waarden van vergelijkbare appartementen in haar complex. De heffingsambtenaar reageerde hierop door te verwijzen naar een taxatiematrix en stelde dat de voorzieningen in de woning van belanghebbende daadwerkelijk als gemiddeld konden worden beschouwd.
Tijdens de zitting op 8 april 2026 betwistte de rechtbank de argumenten van de heffingsambtenaar. De rechtbank vond dat belanghebbende met haar inlichtingenformulier de heffingsambtenaar misleidde over de staat van haar keuken, maar concludeerde uiteindelijk dat de voorzieningen in haar woning als ondergemiddeld moesten worden beschouwd. Hierdoor was de oorspronkelijke waardering van de heffingsambtenaar onjuist.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank Overijssel oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog had vastgesteld. De rechtbank corrigeerde de waarde van de woning van € 405.000,- naar € 377.000,- door de voorzieningen van de woning als ondergemiddeld te waarderen. Hoewel de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde en de WOZ-waarde verlaagde, kende zij geen vergoeding van de proceskosten toe. Dit kwam doordat de heffingsambtenaar de waarde vaststelde op basis van de gegevens die hij van de belanghebbende had ontvangen, en er volgens de rechtbank geen sprake was van onrechtmatigheid aan de kant van de heffingsambtenaar.
De belanghebbende kreeg wel een vergoeding van het griffierecht van € 53,-. De uitspraak kan worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Indien de belanghebbende of de heffingsambtenaar het niet eens is met de uitspraak, kan binnen zes weken na de bekendmaking hoger beroep worden ingesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




