De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een geschil tussen twee buren, [eiser] en [gedaagde], die in hetzelfde gebouw wonen dat is gesplitst in appartementsrechten. [gedaagde] heeft het appartementsrecht op de begane grond en wil een uitbouw realiseren, waarvoor hij toestemming heeft gevraagd aan de Vereniging van Eigenaars (VvE). [eiser], die op de eerste verdieping woont, had ingestemd met de uitbouw onder de voorwaarde dat er bovenop de uitbouw een dakterras zou komen op dezelfde hoogte als haar huidige balkon. Er zijn afspraken gemaakt en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (VSO), maar tijdens de uitvoering van de bouw is gebleken dat de hoogte van de uitbouw niet conform de afspraken is, wat leidde tot een juridische procedure waarin [eiser] een bouwstop vordert.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begint met een dagvaarding van [eiser] op 24 december 2025, waarin zij een bouwstop vordert. Tijdens de zitting op 8 januari 2026 legt [eiser] haar standpunt toe, waarbij zij onderbouwt dat de gemaakte afspraken in de VSO niet zijn nagekomen door [gedaagde]. Het belangrijkste punt van geschil is dat de hoogte van de uitbouw niet in overeenstemming is met de afspraken en tekening die aan de VSO zijn gehecht. [gedaagde] verdedigt zich door te stellen dat de gemaakte afspraken ruimer zijn bedoeld en dat er voldoende ruimte is voor het dakterras, ondanks de afwijkende maten.
De feiten in deze zaak zijn complex en omvatten een lange geschiedenis van correspondentie tussen de partijen. [eiser] en [gedaagde] hebben overeenstemming bereikt over de uitbouw en het dakterras, met specifieke voorwaarden over de hoogte van de constructie. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in verschillende documenten, waaronder een tekening van de architect die als bijlage bij de VSO is gevoegd. Tijdens de bouw zijn er echter wijzigingen doorgevoerd die niet met [eiser] zijn gedeeld, wat resulteert in een afwijking van de afgesproken hoogte voor het dakterras.
Op 2 december 2025 merkt [eiser] op dat de stalen portalen van de uitbouw te hoog zijn geplaatst, wat in strijd is met de VSO. [gedaagde] erkent de afwijking maar geeft aan dat er geen wijzigingen meer aan het staal kunnen worden aangebracht. Hij stelt dat de afwijking geen praktische nadelen oplevert voor [eiser]. Ondanks herhaalde verzoeken van [eiser] om de bouw te stoppen en aan te passen, zet [gedaagde] de bouw voort.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelt dat het aannemelijk is dat een bodemrechter zal concluderen dat [gedaagde] in strijd met de gemaakte afspraken in de VSO heeft gehandeld. De rechtbank erkent dat de afspraken duidelijk zijn en dat [eiser] steeds heeft benadrukt dat de hoogte van het dakterras van cruciaal belang is. De afwijkingen in de constructietekeningen zonder overleg met [eiser] worden als problematisch gezien.
Hoewel de voorzieningenrechter de bouwstop niet toewijst, omdat het construct van de uitbouw al gereed is en een bouwstop niet het gewenste resultaat voor [eiser] zou opleveren, wordt bepaald dat de risico’s van de voortzetting van de bouw zonder aanpassingen volledig voor rekening van [gedaagde] zijn. Hij loopt het risico om de afgewerkte uitbouw deels ongedaan te moeten maken als de bodemrechter in het voordeel van [eiser] oordeelt.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van de proceskosten van [eiser], aangezien hij op belangrijke punten in het debat ongelijk heeft gekregen. De totale proceskosten bedragen € 1.771,45, vermeerderd met wettelijke rente als de kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




