De zaak in het kort
In de civiele rechtszaak tussen [partij A] en [partij B] ging het om de teruggave van een waarborgsom en het geschil over servicekosten na afloop van een huurovereenkomst. [partij A] had gedurende een periode van negen maanden, van 1 oktober 2024 tot 20 juni 2025, een woning gehuurd van [partij B]. Na beëindiging van de huurovereenkomst weigerde [partij B] de waarborgsom aan [partij A] terug te betalen, omdat hij deze had verrekend met vermeende schade aan de woning. Tevens was er onenigheid over de betaling van servicekosten. De kantonrechter oordeelde dat [partij B] een deel van de waarborgsom en het grootste deel van de in rekening gebrachte servicekosten aan [partij A] moest terugbetalen.
Het verloop van het proces en de feiten
De huurovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] had betrekking op een woning die voor een vaste periode van negen maanden werd gehuurd. Gedurende deze periode betaalde [partij A] maandelijks € 1.776,75, bestaande uit € 1.300 als huur en € 476,75 aan servicekosten. In de huurovereenkomst waren bepalingen opgenomen over de betalingsverplichtingen van de huurder, inclusief de servicekosten voor bijkomende leveringen en diensten. Ook was opgenomen dat de verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst zou terugbetalen, tenzij er sprake was van schade.
Bij de eindinspectie van de woning op 18 juni 2025 bleek dat sommige ruimtes niet voldoende waren schoongemaakt, waarop [partij A] instemde met het inschakelen van een schoonmaakbedrijf. Desondanks besloot [partij B] om de waarborgsom niet terug te betalen, met de claim dat er 54 uur aan schoonmaakwerk was verricht en er extra kosten waren gemaakt voor het vervangen van apparatuur en beddengoed. [partij A] was het hier niet mee eens en startte een procedure bij de kantonrechter.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter besloot dat [partij B] een gedeeltelijke verrekening van de waarborgsom kon maken, maar dat hij niet alle geclaimde kosten in mindering mocht brengen. De rechtbank schatte de redelijke schoonmaakkosten op basis van een professioneel schoonmaakbedrijf op 16 uur, wat neerkwam op € 677,60. De kantonrechter vond dat de hotelkosten niet op de borg mochten worden verhaald, omdat niet was aangetoond dat de woning zo vervuild was dat [partij B] en zijn echtgenote er niet konden verblijven.
Voor het vervangen van beddengoed werd een bedrag van € 210 redelijk geacht, maar de claims voor een nieuwe koffiemachine en airfryer werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Hierdoor moest [partij B] een bedrag van € 1.712,40 van de waarborgsom terugbetalen aan [partij A].
Wat betreft de servicekosten besloot de kantonrechter dat de kosten voor nutsvoorzieningen en internet/televisie bij de huurprijs waren inbegrepen, zoals vastgelegd in de huurovereenkomst. Hierdoor was [partij B] niet gerechtigd om extra maandelijkse servicekosten van € 157,50 in rekening te brengen. Ook de vergoeding voor stoffering en meubilering werd als te hoog beschouwd, en [partij B] moest deze deels terugbetalen.
Ten slotte bleek dat de doorberekening van de VvE-bijdrage aan [partij A] niet gerechtvaardigd was, waardoor [partij B] ook dit bedrag moest terugbetalen. Alles bij elkaar opgeteld moest [partij B] een totaalbedrag van € 5.328,15, inclusief wettelijke rente en incassokosten, aan [partij A] betalen. De kantonrechter veroordeelde [partij B] ook in de proceskosten van € 1.409,35, gezien het feit dat hij grotendeels in het ongelijk was gesteld. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat [partij B] direct aan de veroordeling moet voldoen, ongeacht een eventueel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




