De zaak in het kort
De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat een lid van een Vereniging van Eigenaren (VvE) niet gerechtigd was om zijn maandelijkse bijdragen op te schorten, ondanks zijn betalingsproblemen. Dit oordeel is gebaseerd op de bepalingen in de akte van splitsing, die expliciet verbieden dat leden van de VvE hun betalingsverplichtingen opschorten. De gedaagde, een voormalig appartementseigenaar, had een achterstand laten ontstaan in de bijdragen aan de VvE en beriep zich op betalingsonmacht, mede veroorzaakt doordat de exploitatievergoeding van de externe exploitant van het complex later werd uitbetaald. De rechtbank vond dat de betalingsmoeilijkheden van de gedaagde voor zijn eigen risico kwamen en veroordeelde hem tot betaling van de openstaande bedragen, inclusief incasso- en proceskosten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 17 februari 2025, waarin de VvE betaling eiste van de achterstallige maandelijkse bijdragen, vermeerderd met rente en kosten. De gedaagde voerde aan dat zijn betalingsonmacht het gevolg was van een besluit van de VvE-vergadering waardoor de exploitant, Sheetz, de exploitatievergoeding later mocht betalen. Hierdoor kon hij niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voldoen. Hij stelde dat hij daarom gerechtigd was tot opschorting van zijn betalingen. Bovendien achtte hij de VvE onvoldoende rekening houdend met zijn persoonlijke financiële omstandigheden en vond hij dat de incassoprocedure onnodig kostenverhogend werkte.
Tijdens de procedure verkocht de gedaagde zijn twee appartementen, waarna de VvE bij de notariële overdracht opgave deed van de achterstallige bedragen. Hoewel een deel van de schuld via de notaris werd voldaan, resteerde volgens de VvE nog een vordering van € 1.597,42. De gedaagde betwistte dit bedrag en stelde dat er slechts € 62,65 openstond.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank kwam tot het oordeel dat de gedaagde zijn betalingsverplichtingen niet mocht opschorten. De bepalingen in de akte van splitsing waren hier duidelijk over. De gedaagde had geen geldig beroep op schuldeisersverzuim, aangezien het besluit over de latere betaling van de exploitatievergoeding rechtsgeldig was en niet door de gedaagde was aangevochten. Omdat de betalingsproblemen van de gedaagde voortkwamen uit een besluit waar hij zelf niet tegen opkwam, lag het risico daarvan bij hem.
Verder oordeelde de rechtbank dat de VvE rechtmatig incassokosten van € 390,68 in rekening bracht. De gedaagde had immers een betalingsachterstand laten ontstaan, waardoor de VvE gerechtigd was om incassomaatregelen te nemen. Het beroep van de gedaagde op ‘sociaal incasseren’ vond geen gehoor bij de rechtbank, die oordeelde dat de VvE niet verplicht was om hem zonder kosten aan te manen of om van een gerechtelijke procedure af te zien.
Ook de overdrachtskosten, die de VvE via de notaris bij de verkoop van de appartementen in rekening bracht, werden door de rechtbank als rechtmatig beoordeeld. De rechtbank wees erop dat deze kosten gebaseerd waren op artikel 40 lid 8 van de splitsingsakte, waarin is bepaald dat dergelijke kosten ten laste van de verkoper komen. De gedaagde had onvoldoende onderbouwd waarom de hoogte van de kosten onjuist zou zijn, en de rechtbank vond de gehanteerde indexering van de kosten redelijk.
Tot slot werd de gedaagde veroordeeld in de proceskosten, omdat hij in het ongelijk werd gesteld. De totale proceskosten werden begroot op € 1.374,14, waarvan de gedaagde nog € 716,42 moest betalen, na verrekening van reeds betaalde bedragen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk kon worden uitgevoerd, ongeacht eventueel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




