De zaak in het kort
In deze civiele procedure bij de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter te Almere, hebben de eisers, [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], een huurovereenkomst afgesloten met de gedaagde partij, [gedaagde] B.V., voor een woning die zij huurden vanaf 26 april 2023 tot 1 februari 2025. Gedurende deze periode hebben de eisers geklaagd over onderhoudsgebreken, waaronder vocht- en schimmelvorming, die volgens hen gezondheidsproblemen veroorzaakten en hen dwongen te verhuizen. Zij eisten een schadevergoeding van de verhuurder. De kantonrechter oordeelde echter dat er geen sprake was van een gebrek in de zin van de wet en wees de vordering van de eisers af.
Het verloop van het proces en de feiten
[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stelden dat vanaf het begin van hun huurovereenkomst ernstige onderhoudsgebreken aanwezig waren in hun woning, met name schimmelvorming. Ze meldden de problemen aan [gedaagde] op 7 juni 2023, maar volgens hen werden er geen adequate maatregelen genomen. De woning had een defecte radiator, slechte isolatie waardoor tocht ontstond, en ontbrak aan mechanische ventilatie, wat leidde tot hoge luchtvochtigheid en schimmelvorming. De eisers berekenden dat de maximale huurprijs voor een dergelijke woning € 782,55 zou moeten zijn en stelden dat zij structureel te veel huur hadden betaald.
Volgens de eisers voldeed de woning niet aan de normen van de Energie Prestatie Bouw (EPB) van 2006. Ze beweerden dat de slechte omstandigheden tot gezondheidsproblemen leidden, waardoor ze genoodzaakt waren te verhuizen. Ze vorderden een schadevergoeding van [gedaagde] voor de geleden materiële en immateriële schade, zoals gederfd huurgenot en gezondheidsklachten.
De gedaagde partij, vertegenwoordigd door een gemachtigde, stelde dat de problemen niet door een gebrek aan de woning werden veroorzaakt, maar door het gedrag van de bewoners. [gedaagde] schakelde meerdere deskundigen in, die concludeerden dat het ventilatiegedrag van de bewoners onvoldoende was, wat leidde tot de vocht- en schimmelproblemen.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een gebrek zoals bedoeld in artikel 7:204 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de problemen met vocht en schimmel werden veroorzaakt door het gedrag van de bewoners en niet door een structureel gebrek aan de woning. De deskundigenrapporten die door [gedaagde] werden ingediend, ondersteunden deze conclusie.
De rechter wees erop dat de woning was voorzien van natuurlijke ventilatie, wat hogere eisen stelt aan het gedrag van de bewoners in vergelijking met woningen met mechanische ventilatie. Er was ook geen bewijs dat het bouwbesluit zou vereisen dat mechanische ventilatie geïnstalleerd had moeten worden, aangezien de normen alleen gelden voor nieuwbouw of ingrijpende renovaties, wat hier niet het geval was.
Omdat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] niet konden bewijzen dat de vocht- en schimmelproblemen door een gebrek van de woning werden veroorzaakt, wees de kantonrechter hun vorderingen voor materiële en immateriële schadevergoedingen af. Bovendien werden de eisers veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van [gedaagde], die werden begroot op € 1.008,00. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd, ongeacht een eventueel hoger beroep.
De eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten de proceskosten betalen, inclusief de nakosten. Omdat zij niet hebben gereageerd op de eis tot uitvoerbaarheid bij voorraad, kan [gedaagde] de veroordeling meteen uitvoeren. Het vonnis van de kantonrechter werd op 4 februari 2026 uitgesproken door mr. drs. B.G.W.P. Heijne.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




