De zaak in het kort
In deze zaak, behandeld door de rechtbank Noord-Holland, was er een geschil tussen de besloten vennootschap DHB Bouw B.V. en de vereniging van eigenaren (VvE) van een appartementencomplex. Het conflict ontstond na een grootschalige renovatie waarbij er onenigheid was over de betaling van een factuur van DHB. De centrale vraag was of de VvE de openstaande factuur van DHB moest betalen, inclusief een btw-correctie, en of de VvE een beroep kon doen op het consumentenrecht om de meerwerkovereenkomst te vernietigen.
Het verloop van het proces en de feiten
In de periode 2023-2024 vond een renovatieproject plaats voor het appartementencomplex met de naam ‘Kolommenherstel’. De VvE had een overeenkomst met DHB Bouw B.V. voor een deel van het werk, met een aanneemsom van € 38.192,93. De overeenkomst werd ondertekend door een toenmalige zelfstandig bevoegde bestuurder van de VvE, [bedrijf 1] B.V. Het project werd voltooid en op 29 april 2024 opgeleverd. Desondanks bleef de VvE een factuur van DHB, ter waarde van € 3.089,03, grotendeels onbetaald. Een deelbetaling van € 990,70 werd later in 2025 door de VvE gedaan.
DHB vorderde de resterende betaling van € 2.492,24, inclusief wettelijke rente en kosten, omdat de VvE in verzuim was met de betaling van de factuur. Daartegenover vorderde de VvE een terugbetaling wegens betwiste meerwerkposten en een vermeende incorrecte btw-berekening. De VvE stelde dat de meerwerkovereenkomst vernietigbaar was onder het consumentenrecht, aangezien zij niet volledig geïnformeerd was over de extra kosten.
Tijdens de zitting bleek echter dat [bedrijf 1], de voormalig bestuurder van de VvE, in een verklaring had bevestigd dat er overeenstemming was bereikt over het meer- en minderwerk met DHB. Dit goedkeuring van de destijds bevoegde bestuurder ondersteunde de vordering van DHB.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat de VvE geen beroep kon doen op het consumentenrecht omdat zij een rechtspersoon is en niet als consument kan worden beschouwd. Het argument van de VvE dat zij een met consumenten vergelijkbare positie innam, werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank besliste dat de goedkeuring van het meer- en minderwerk door de voormalig bestuurder bindend was, waardoor de factuur van DHB, inclusief de verrekening van het meer- en minderwerk, toewijsbaar was. Het argument van de VvE dat DHB dubbele meerwerkposten had berekend, werd niet gegrond bevonden.
Verder erkende de rechtbank de noodzaak van een btw-correctie op een deel van het werk, waarbij werd besloten dat de VvE een bedrag van € 242,10 in mindering mocht brengen op de gevorderde som. Na deze verrekening bleef een bedrag van € 2.262,92 over dat de VvE aan DHB moest betalen.
De rechtbank veroordeelde de VvE tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 april 2024. De VvE werd ook veroordeeld in de proceskosten van DHB, begroot op € 1.178,85, waarbij de kosten in reconventie op nihil werden gesteld gezien de samenhang van de vorderingen.
In conclusie moest de VvE de openstaande factuur betalen, inclusief correcties, en werden de reconventionele vorderingen van de VvE grotendeels afgewezen. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



