De zaak in het kort
In deze zaak stond de vraag centraal of de eigenaar van een appartement, [gedaagde], door zijn nalatigheid verantwoordelijk was voor de waterschade veroorzaakt door een lekkende badkamer. De Vereniging van Eigenaren (VvE) eiste dat [gedaagde] de noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert om verdere schade te voorkomen, toegang verleent voor inspecties, en een schadevergoeding betaalt. De rechtbank moest beslissen over de verantwoordelijkheden van [gedaagde] en de VvE’s vorderingen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 27 mei 2025, waarna [gedaagde] zijn mondelinge verweer op 12 juni 2025 indiende. Na een tussenvonnis op 24 juli 2025, vond de mondelinge behandeling plaats op 11 november 2025. [gedaagde] is eigenaar van een appartement in een pand dat in appartementen is gesplitst en deel uitmaakt van een VvE. Volgens het reglement van de VvE moeten eigenaren hun privé-gedeelten goed onderhouden en bij eventuele schade of dreigend gevaar het bestuur waarschuwen.
Gebrekkig onderhoud aan de badkamer van [gedaagde] veroorzaakte lekkages die zowel zijn appartement als gemeenschappelijke delen van het gebouw beschadigden. Ondanks herhaalde verzoeken van de VvE, ondernam [gedaagde] geen actie. De VvE had diverse onderzoeken laten uitvoeren die de slechte staat van de badkamer bevestigden. Eerdere herstelwerkzaamheden aan standleidingen en rioleringen door de VvE hadden het probleem niet opgelost, wat duidde op de noodzaak van ingrijpen in de badkamer van [gedaagde].
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] verplicht was om de noodzakelijke herstelwerkzaamheden binnen 30 dagen na het vonnis uit te voeren. Een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 10.000, werd opgelegd indien [gedaagde] in gebreke bleef. De rechtbank stelde ook vast dat [gedaagde] aansprakelijk was voor een bepaald schadebedrag van € 8.233,53, veroorzaakt door de lekkages, en dat hij de VvE buitengerechtelijke incassokosten van € 786,68 moest vergoeden.
Daarnaast eiste de VvE toegang tot de woning van [gedaagde] voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. De rechtbank omschreef deze eis in termen van een vervangende machtiging zoals bedoeld in artikel 5:121 BW. Omdat deze vordering niet correct was ingediend, besloot de rechtbank om de procedure om te zetten naar een verzoekschriftprocedure, een zogenaamde “spoorwissel”, zodat de VvE haar aanvraag kon aanpassen aan de juiste juridische vorm.
De rechtbank veroordeelde [gedaagde] verder in de proceskosten, begroot op € 1.610,21, en oordeelde dat hij wettelijke rente over deze kosten verschuldigd was als hij niet binnen veertien dagen na aanmaning zou betalen. De uitspraak werd op 12 december 2025 openbaar gemaakt en verklaard uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de beslissingen direct in werking treden ondanks een mogelijk hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




