De zaak in het kort
In een kort geding voor de rechtbank Den Haag heeft eiseres, eigenaresse van een appartement, een geschil met Albever Holding B.V. over een geldlening voor de verbouwing van haar nieuw aangekochte appartement. De eiseres heeft een lening van Albever Holding ontvangen voor de aankoop van het appartement, maar er is onenigheid ontstaan over een aanvullende lening voor de verbouwing. De rechter moest beslissen of er een bindende mondelinge overeenkomst was voor deze aanvullende lening.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding door de eiseres op 6 maart 2026. De eiseres woont in een appartement met haar drie kinderen en had een nieuw appartement gekocht dat gefinancierd werd door een hypothecaire lening van Albever Holding. Er was een initieel bedrag van €1.150.000,- geleend, maar in de hypotheekakte was er ruimte voor een extra lening tot €1.350.000,-.
De eiseres en de bestuurder van Albever Holding, met wie zij kort een affectieve relatie had, hadden plannen voor de verbouwing van het nieuwe appartement. Er werd een offerte opgesteld en de verbouwing zou beginnen in januari 2026. De bestuurder gaf aanvankelijk de opdracht aan de aannemer voor de verbouwing. Echter, na het beëindigen van de affectieve relatie trok de bestuurder zich terug en weigerde de extra lening voor de verbouwing te verstrekken. De verbouwing kwam stil te liggen en het appartement was daardoor niet bewoonbaar of verkoopbaar.
De eiseres stelde dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst voor een aanvullende lening van €125.000,- of minimaal €100.000,- voor de verbouwing. Albever Holding betwistte dit en stelde dat er geen bindende overeenkomst was, omdat de eiseres nooit de schriftelijke leningsvoorstellen had ondertekend.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende aannemelijkheid was dat er een mondelinge overeenkomst tot stand was gekomen voor de aanvullende lening voor de verbouwing. Dit baseerde de rechter op de gedragingen en verklaringen van de bestuurder van Albever Holding die actief betrokken was bij de verbouwingsplannen en de aannemer had geïnstrueerd. De rechter vond dat de eiseres redelijkerwijs mocht vertrouwen op de toezegging van Albever Holding om de aanvullende lening te verstrekken.
De rechtbank wees de primaire vordering van €125.000,- af, maar kende de subsidiaire vordering van €100.000,- toe. Albever Holding werd veroordeeld om binnen drie dagen na ondertekening van de leningsovereenkomst door de eiseres, het bedrag van €100.000,- beschikbaar te stellen. Een dwangsom van €1.000,- per dag werd opgelegd indien Albever Holding hieraan niet zou voldoen, met een maximum van €100.000,-.
Ten aanzien van de proceskosten, besloot de voorzieningenrechter dat beide partijen hun eigen kosten moesten dragen. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd, ondanks een eventueel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




