De zaak in het kort
In de rechtszaak tussen een particulier, aangeduid als [eiseres], en Albever Holding B.V., een beheer- en financieringsmaatschappij, stond de vraag centraal of Albever Holding verplicht was een aanvullende geldlening te verstrekken voor de verbouwing van een appartement. De rechtbank Den Haag oordeelde dat er voldoende bewijs was dat er een overeenkomst bestond waarin Albever Holding zich verbond tot deze financiering. De voorzieningenrechter bepaalde dat Albever Holding over moest gaan tot het aanbieden van een overeenkomst van geldlening aan [eiseres] en een bedrag van € 100.000,- beschikbaar moest stellen voor de verbouwing.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een kort geding aangespannen door [eiseres] tegen Albever Holding. [eiseres] had een appartement gekocht met financiering van Albever Holding en wilde het appartement verbouwen. Zij beweerde dat er een mondelinge overeenkomst was met Albever Holding voor een aanvullende lening om de verbouwing te financieren. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat [eiseres] het appartement aan de [adres 2] had gekocht en dit had gefinancierd met een door Albever Holding verstrekte hypothecaire lening. Het appartement werd op 10 november 2025 aan haar geleverd. De leningsovereenkomst tussen [eiseres] en Albever Holding omvatte een hoofdsom van € 1.150.000,-, met een mogelijkheid tot verhoging tot € 1.350.000,-.
Er was sprake van een persoonlijke relatie tussen [eiseres] en de bestuurder van Albever Holding, [naam 1]. Deze relatie eindigde eind december 2025. Desondanks beweerde [eiseres] dat er afspraken waren gemaakt over de financiering van de verbouwing. De kwestie werd gecompliceerd door het feit dat [naam 1] actief betrokken was geweest bij het regelen van offertes en het verstrekken van opdrachten voor de verbouwing aan een aannemer.
Het geschil ontstond toen [naam 1] plotseling zijn medewerking aan de verbouwing introk, waardoor de aannemer de werkzaamheden staakte. [eiseres] had geen alternatieve financieringsmogelijkheden en moest daardoor een kort geding starten om nakoming van de mondelinge afspraken af te dwingen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank concludeerde dat er sprake was van spoedeisend belang, gezien de financiële druk op [eiseres] door dubbele woonlasten en het feit dat het appartement onbewoonbaar en onverkoopbaar was in zijn huidige toestand. De voorzieningenrechter oordeelde dat er een overeenkomst tot stand was gekomen tussen de partijen, aangezien er eerdere overeenstemming was over de financiering van de verbouwing en [naam 1] actief betrokken was bij het proces. Ondanks het feit dat [eiseres] de schriftelijke overeenkomst van 24 december 2025 niet had ondertekend, was er voldoende bewijs dat er een bindende afspraak was gemaakt over de aanvullende lening.
De rechtbank veroordeelde Albever Holding om binnen twee dagen na betekening van het vonnis een overeenkomst van geldlening aan [eiseres] aan te bieden, gebaseerd op de voorwaarden van de eerdere leningsovereenkomst. Albever Holding moest vervolgens een bedrag van € 100.000,- beschikbaar stellen voor de verbouwing. Als stimulans voor nakoming werd een dwangsom opgelegd van € 1.000,- per dag dat Albever Holding niet aan de uitspraak voldeed, met een maximum van € 100.000,-. De rechtbank besloot dat beide partijen hun eigen proceskosten moesten dragen, gezien de aard van het geschil en de betrokken omstandigheden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




