De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat een lid van een Vereniging van Eigenaren (VvE) een betalingsachterstand heeft en deze moet voldoen. De VvE vorderde een bedrag van € 5.722,70, vermeerderd met rente en kosten, van het lid, hierna [gedaagde] genoemd. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en [gedaagde] veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, inclusief rente en bijkomende kosten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 14 januari 2026, waarin de VvE haar vordering kenbaar maakte. Tijdens de zitting gaf [gedaagde] aan dat zij de betalingsverplichting erkent, maar dat zij de volledige som niet in één keer kan betalen vanwege financiële problemen. Ze heeft wel geprobeerd een betalingsregeling te treffen en al enkele termijnen betaald. Ondanks deze inspanningen, werd ze opnieuw gedagvaard omdat er geen definitieve regeling was getroffen.
De VvE, vertegenwoordigd door een gemachtigde, stelde dat [gedaagde] vanaf 2022 niet volledig aan haar betalingsverplichtingen had voldaan. Hoewel ze in maart 2024 al eens was veroordeeld tot betaling van een eerdere achterstand, had ze wederom nieuwe achterstanden laten ontstaan. De VvE had haar gemachtigde en een deurwaarderskantoor ingeschakeld om de betalingen te innen. Tijdens de zitting werd duidelijk dat [gedaagde] ook schulden bij andere partijen had en contact had opgenomen met de gemeente voor schuldhulpverlening.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank stelde vast dat de VvE procesbevoegd was. Er was namelijk toestemming van de algemene ledenvergadering om bij betalingsachterstanden gerechtelijke stappen te ondernemen. De rechtbank wees de vordering van de VvE toe, aangezien [gedaagde] erkende dat zij het bedrag verschuldigd was en er geen geschil bestond over de hoogte van de vordering.
De rechter besloot dat [gedaagde] wettelijke rente moest betalen over het bedrag vanaf de vervaldatum van elk afzonderlijk deel van de hoofdsom. Daarnaast werd een bedrag van € 242,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, inclusief btw, toegewezen.
De proceskosten werden ook toegewezen aan de VvE, waarbij [gedaagde] een bedrag van € 1.576,77 moest betalen. Deze kosten omvatten de kosten van de dagvaarding, het griffierecht, het salaris van de gemachtigde en nakosten. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de uitspraak direct kan uitvoeren, ook als [gedaagde] in hoger beroep zou gaan.
De rechtbank gaf [gedaagde] de mogelijkheid om binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling te voldoen, anders zouden daar nog de kosten van betekening bij komen. De rechtbank wees verdere of andere vorderingen af. De uitspraak werd gedaan door mr. J. Huber, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier.
In essentie ging het in deze zaak om de verplichting van een lid van een VvE om de gemeenschappelijke kosten en doorbelaste belastingen en erfpacht te voldoen. Ondanks de financiële situatie van [gedaagde], benadrukte de rechtbank dat schulden aan andere partijen geen invloed hebben op de betalingsverplichting aan de VvE. De uitspraak onderstreept de noodzaak voor leden van een VvE om hun financiële verplichtingen na te komen, zelfs wanneer zij met persoonlijke financiële moeilijkheden kampen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




