De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een klacht tegen een notaris die betrekking heeft op de geldigheid van een bepaling in een splitsingsakte. Deze bepaling is niet opgenomen in de daaropvolgende akte van levering van een appartementsrecht aan de klaagster. De klaagster, Van As Beheer B.V., heeft de notaris verweten dat de kwalitatieve verplichting in de splitsingsakte niet geldig is volgens de wet en dat deze niet is overgenomen in de leveringsakte, wat heeft geleid tot een schijn van rechtsgeldigheid die nadelig is voor de klaagster.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een beroepschrift ingediend door de klaagster op 13 oktober 2025 tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch. Deze kamer had eerder de klacht ongegrond verklaard. De notaris heeft op 9 januari 2026 een verweerschrift ingediend. De zaak is op 28 januari 2026 behandeld in een openbare zitting van het hof te Amsterdam.
De feiten die aan de zaak ten grondslag liggen, betreffen een splitsingsakte die op 11 mei 2021 door de notaris is opgesteld. Deze akte splitste een object in 145 appartementsrechten en bevatte een bepaling die eigenaren verplichtte om verhuur via een door de Vereniging van Eigenaars aangewezen partij te doen, specifiek Belvilla AG. Deze bepaling was bedoeld als een kwalitatieve verplichting volgens artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Echter, deze verplichting werd niet opgenomen in de latere akte van levering van een van de appartementen aan de klaagster op 18 december 2023.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat de klacht van de klaagster deels gegrond was. Er waren twee klachtonderdelen:
1. De klaagster stelde dat de verplichting in de splitsingsakte om te verhuren via Belvilla AG in strijd was met artikel 6:252 lid 1 BW, dat alleen verplichtingen toestaat om iets te dulden of niet te doen. Het hof oordeelde dat hoewel de formulering van de verplichting voor discussie vatbaar was, er geen duidelijk bewijs was dat de notaris onzorgvuldig was geweest bij het opstellen van de splitsingsakte. Daarom werd dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
2. Het tweede klachtonderdeel betrof het niet opnemen van de verplichting in de leveringsakte. De notaris erkende dat dit een fout was en dat de bepaling wel in de leveringsakte had moeten staan. Hoewel de notaris inmiddels actie had ondernomen om dit te herstellen, vond het hof dat de notaris onzorgvuldig had gehandeld en daarom een tuchtrechtelijk verwijt verdiende. Dit klachtonderdeel werd gegrond verklaard.
Als gevolg van de gegronde klacht legde het hof de notaris een waarschuwing op. Daarnaast werd de notaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de klaagster en het griffierecht. Het hof vernietigde de eerdere beslissing van de kamer en herzag de beslissing met een nieuwe uitspraak, inclusief de toekenning van proceskosten aan de klaagster. De notaris diende een totaalbedrag van €150 te vergoeden aan de klaagster en €1.000 aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.
Deze zaak benadrukt de noodzaak voor notarissen om zorgvuldig te zijn bij het opstellen van akten en ervoor te zorgen dat alle relevante bepalingen correct worden overgenomen in opvolgende documenten. Het hof heeft met deze uitspraak duidelijk gemaakt dat onzorgvuldig handelen van notarissen kan leiden tot tuchtrechtelijke maatregelen, zelfs als er herstelmaatregelen worden genomen na het ontdekken van een fout.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




