De zaak in het kort
In deze zaak moest de rechtbank Amsterdam een geschil behandelen tussen een coöperatieve flatexploitatievereniging en een van haar leden, die een betalingsachterstand had opgelopen. De vereniging eiste dat het lid de openstaande schuld van € 5.722,70 zou betalen, inclusief rente en bijkomende kosten. De gedaagde erkende de schuld, maar zocht naar een betalingsregeling vanwege andere financiële verplichtingen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een dagvaarding van de vereniging aan de gedaagde op 14 januari 2026. De gedaagde woonde in een appartementencomplex dat eigendom is van de vereniging en was verplicht maandelijks servicekosten en doorbelaste belastingen en erfpacht te betalen. Echter, sinds 2022 waren de betalingen achterstallig geraakt. In 2024 werd de gedaagde al veroordeeld tot betaling van de toen bestaande achterstand, die zij uiteindelijk voldeed. Desondanks ontstonden er na 2024 opnieuw betalingsachterstanden.
Tijdens de zitting bracht de vereniging naar voren dat zij de gedaagde in januari 2026 opnieuw had gedagvaard, omdat er geen betalingsregeling tot stand kwam, ondanks contact tussen de gedaagde en het deurwaarderskantoor. De vereniging heeft de vordering uitgebreid met rente en kosten. De gedaagde erkende tijdens de zitting de schuld en toonde bereidheid om een betalingsregeling te treffen. Ze had reeds enkele termijnen betaald in oktober en november 2025. De gedaagde gaf ook aan in contact te zijn met de gemeente voor schuldhulpverlening, aangezien ze meerdere schulden had.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank stelde vast dat de vereniging de juiste procedurele stappen had gevolgd om de vordering in te stellen. Het bestuur van de vereniging had toestemming van de algemene ledenvergadering gekregen om gerechtelijke stappen te ondernemen in geval van betalingsachterstand. De kantonrechter wees de vordering van de vereniging toe, aangezien de gedaagde de betalingsverplichting erkende en de hoogte van de vordering correct was.
De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van € 242,64, inclusief btw. De rechtbank bepaalde dat de gedaagde ook de proceskosten van € 1.576,77 moest betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de vereniging het vonnis kan uitvoeren, zelfs als de gedaagde in hoger beroep gaat.
Hoewel de gedaagde een betalingsregeling zocht, bleef de rechtbank bij haar beslissing dat de vereniging recht had op betaling van het volledige bedrag. De rechter benadrukte dat het recht van de vereniging op betaling niet wordt beïnvloed door de andere schulden van de gedaagde. De rechtbank gaf de gedaagde veertien dagen de tijd om de proceskosten te betalen na aanschrijving, met extra kosten voor betekening als de betaling niet tijdig plaatsvindt. Hiermee werd de zaak afgesloten door de kantonrechter.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




