De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen tussen een echtpaar van Turkse afkomst dat in Nederland woont. De vrouw had de rechtbank gevraagd om de echtscheiding uit te spreken en het huwelijksvermogen te verdelen, waaronder de verkoop van twee woningen in Nederland en een woning in Turkije. Beide partijen waren het erover eens dat hun huwelijk duurzaam was ontwricht. De rechtbank moest ook bepalen welke wetgeving van toepassing was op de verdeling van het huwelijksvermogen, gezien het internationale karakter van de zaak.
Het verloop van het proces en de feiten
In maart 2025 diende de vrouw een verzoekschrift voor echtscheiding in bij de rechtbank, gevolgd door een verweerschrift van de man in juni 2025. In januari 2026 vond de zitting plaats, waarbij beide advocaten aanwezig waren, maar de vrouw niet. De rechtbank ontving aanvullende stukken van beide partijen na de zitting. De vrouw en de man trouwden in 1995 in Turkije en hebben de Turkse nationaliteit. De vrouw verzocht om twee woningen in Nederland te taxeren en te verkopen, waarbij de overwaarde gelijkmatig verdeeld zou worden. De man stemde in met het verzoek voor de verkoop van de woningen.
De rechtbank besloot dat zij bevoegd was om de zaak te behandelen, aangezien beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Voor de echtscheiding werd Nederlands recht toegepast, terwijl de erkenning van het huwelijk volgens Turks recht geldig werd verklaard. De rechtbank moest ook oordelen welk recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime, waarbij het Turks recht van toepassing was tot 2006 en daarna Nederlands recht, vanwege het zogenaamde “wagonstelsel”.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank sprak de echtscheiding uit, aangezien beide partijen het eens waren dat hun huwelijk duurzaam was ontwricht. Voor de verdeling van het huwelijksvermogen besloot de rechtbank dat het Turks recht van toepassing was tot 21 oktober 2006 en daarna het Nederlands recht. De woningen in Nederland werden volgens het Nederlands huwelijksvermogensrecht verdeeld. De woning in [woonplaats 1] was al verkocht en de opbrengst verdeeld, terwijl de woning in [woonplaats 2] nog te koop werd gezet met een afgesproken verkoopprijs.
Wat betreft de schulden, besliste de rechtbank dat de man en de vrouw ieder voor de helft verantwoordelijk zijn voor de schulden aan de gemeente Rotterdam, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en de International Card Services (ICS). De rechtbank verwierp het verzoek van de man om de vrouw verantwoordelijk te maken voor de helft van de schulden aan vier familieleden, omdat het bestaan van die schulden onvoldoende was aangetoond.
De rechtbank besloot dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor bepaalde schulden en wees overige verzoeken af. Partijen hadden onderling overeenstemming bereikt over de verdeling van enkele vermogensbestanddelen, waardoor de rechtbank daarover geen verdere beslissingen hoefde te nemen.
Deze zaak illustreert de complexiteit van internationale echtscheidingen waarbij verschillende rechtsstelsels moeten worden toegepast. Het toont ook aan hoe belangrijk het is voor partijen om duidelijke afspraken te maken en deze goed te documenteren, vooral als het gaat om schulden en vermogensbestanddelen die onder verschillende jurisdicties vallen. De rechtbank heeft in dit geval zorgvuldig de feiten en omstandigheden afgewogen om tot een eerlijke en rechtvaardige verdeling te komen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




