De zaak in het kort
In deze zaak speelt een geschil over de nakoming van een mondelinge overeenkomst betreffende een aanvullende geldlening voor de verbouwing van een appartement. De eiseres, [eiseres], heeft van Albever Holding B.V. een hypothecaire geldlening ontvangen voor de aankoop van een appartement. Vervolgens is er een dispuut ontstaan over een aanvullende lening van € 100.000,- die nodig is voor de verbouwing van het appartement. De kwestie draait om de vraag of er een bindende overeenkomst is ontstaan tussen de partijen voor deze aanvullende lening en wat de gevolgen zijn van het niet nakomen van de afspraken door Albever Holding.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 6 maart 2026, waarna beide partijen hun standpunten en bewijsmateriaal hebben ingediend. Op 16 maart 2026 vond de mondelinge behandeling plaats, waarbij de voorzieningenrechter beide partijen de kans gaf om tot een onderlinge oplossing te komen. Toen dit niet lukte, werd vonnis gevraagd.
De eiseres, [eiseres], is eigenaresse van een appartement en had een affectieve relatie met [naam 1], de bestuurder van Albever Holding. Tijdens deze relatie werd er een afspraak gemaakt voor een aanvullende lening voor de verbouwing van het nieuwe appartement. Er waren echter tegenstrijdigheden en onduidelijkheden over de voorwaarden en de daadwerkelijke totstandkoming van deze lening. De verbouwing was al begonnen, maar kwam stil te liggen vanwege de financieringskwesties. Dit resulteerde in dubbele maandlasten voor [eiseres], aangezien ze de lasten van twee appartementen moest dragen.
Het appartement aan [adres 2] werd gekocht met een hypothecaire geldlening van Albever Holding, en er was een hoger inschrijvingsbedrag in de hypotheekakte opgenomen om ruimte te bieden voor een eventuele aanvullende lening. De verbouwing was al in gang gezet, mede door de betrokkenheid van [naam 1] die de aannemer opdracht gaf om te starten. Echter, na de beëindiging van hun relatie weigerde [naam 1] de aanvullende lening te verstrekken, wat leidde tot het geschil.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende bewijs was dat er een mondelinge overeenkomst tot stand was gekomen voor een aanvullende lening van € 100.000,- voor de verbouwing van het appartement. De rechter merkte op dat de gedragingen van [naam 1] en de overeengekomen voorwaarden een redelijke verwachting hebben geschapen bij [eiseres] dat de lening verstrekt zou worden. Hierdoor werd Albever Holding verplicht om de lening te verstrekken.
De rechtbank bepaalde dat Albever Holding binnen twee dagen na betekening van het vonnis een overeenkomst van geldlening ter ondertekening moet aanbieden en het bedrag van € 100.000,- beschikbaar moet stellen, onder verbeurte van een dwangsom. De dwangsom is vastgesteld op € 1.000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-. De rechter vond het redelijk om een dwangsom op te leggen als stimulans voor de nakoming van de beslissing, gezien de veranderde relatie tussen de partijen en de noodzaak van het kort geding.
Hoewel [eiseres] aanvankelijk bezwaar had tegen enkele voorwaarden van de leningsovereenkomst, deed dit volgens de rechter geen afbreuk aan de totstandkoming van de overeenkomst. De voorzieningenrechter besloot dat beide partijen hun eigen proceskosten moesten dragen, gezien de aard van het geschil en de omstandigheden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




