In een juridische kwestie tussen Marcan Vastgoed B.V. en een Vereniging van Eigenaars (VvE) ging het om de verdeling van kosten voor funderingsherstel. Marcan, eigenaar van een deel van het gebouw, betwistte de door de VvE vastgestelde kostenverdeling en voerde de zaak tot aan het gerechtshof Den Haag. Het hof oordeelde dat de kostenverdeling rechtsgeldig was, ondanks Marcan’s bezwaar.
Funderingsproblemen bij de winkelstrip
Het conflict ontstond toen bleek dat de funderingspalen van een aanbouw aan de winkelstrip, eigendom van Marcan, onvoldoende draagkracht hadden. Dit leidde tot verzakking en scheurvorming, waardoor herstel noodzakelijk werd. Marcan wilde het herstel versneld uitvoeren, maar de VvE weigerde in eerste instantie toestemming te geven voor directe werkzaamheden.
Onderhandelingen over kostenverdeling
Om tot een oplossing te komen, werd er een task force opgericht door de VvE voor onderhandelingen over de kostenverdeling. Verschillende voorstellen werden gedaan, resulterend in een overeenkomst waarin Marcan 62,5% van de kosten zou dragen en de VvE 37,5%. Deze overeenkomst werd bevestigd door een ledenvergadering, ondanks Marcan’s tegenstem.
Marcan’s bezwaar tegen de overeenkomst
Na de uitvoering van de herstelwerkzaamheden betwistte Marcan de rechtsgeldigheid van de kostenverdelingsovereenkomst en zocht vernietiging van het besluit bij de rechter. De rechtbank wees het verzoek af, waarna Marcan in hoger beroep ging. Marcan stelde dat zij haar aanbod had ingetrokken en dat de overeenkomst in strijd was met de splitsingsakte.
Beslissing van het gerechtshof
Het gerechtshof Den Haag oordeelde dat er een rechtsgeldige overeenkomst was gesloten, die werd bekrachtigd door de VvE-ledenvergadering. Marcan had ingestemd met de kostenverdeling en kon die instemming niet intrekken. Het hof vond dat het beroep op de splitsingsakte naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, gezien Marcan’s eerdere instemming en het voordeel dat zij had van de vervroegde uitvoering.
Conclusie van het hof
Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis van de rechtbank, oordeelde dat de overeenkomst rechtsgeldig was en veroordeelde Marcan in de proceskosten van het hoger beroep. De vordering van de VvE voor vergoeding van reële proceskosten werd afgewezen, omdat er geen sprake was van misbruik van procesrecht door Marcan.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:GHDHA:2022:3045
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




