In deze zaak ging het om een conflict tussen een bewoner en de Vereniging van Eigenaren (VvE) over het stallen van een scootmobiel en driewielfiets in de gemeenschappelijke containerruimte. De bewoner, die een progressieve neuromusculaire aandoening heeft, verzocht om een vervangende machtiging van de rechter om deze hulpmiddelen daar te mogen plaatsen. De VvE had dit geweigerd en stelde dat de bewoner zijn eigen parkeerplaats kon gebruiken. De rechter gaf de VvE uiteindelijk gelijk.
De achtergrond van het geschil
Het conflict ontstond doordat de VvE de bewoner, aangeduid als [verzoekende partij], in 2023 verzocht zijn scootmobiel en driewielfiets op zijn eigen parkeerplaats te stallen. Eerder, in 2011, had hij toestemming om de scootmobiel in de containerruimte te plaatsen. Toen hij echter geen auto meer had, vond de VvE dat hij zijn parkeerplaats kon gebruiken voor de hulpmiddelen. Een verzoek voor een algemene ledenvergadering hierover werd afgewezen door de VvE.
Argumenten van [verzoekende partij]
[Verzoekende partij] beriep zich op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH). Hij voerde aan dat de VvE een redelijke stallingsmogelijkheid moest bieden die toegankelijk was met een rollator en voldoende ruimte bood voor transfers. Een ergotherapeut bevestigde dat de stallingsplek vlak en voorzien van oplaadmogelijkheden moest zijn.
Standpunt van de VvE
De VvE stelde dat de containerruimte door ruimtegebrek niet geschikt was voor de hulpmiddelen. Zij wees op de eigen parkeerplaats van [verzoekende partij] als een beter alternatief. Daarnaast gaf de VvE aan dat exclusief gebruik van gemeenschappelijke ruimten in strijd zou zijn met de splitsingsakte.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter, mr. N.F.H. van Eijk, oordeelde dat [verzoekende partij] onvoldoende had aangetoond dat zijn parkeerplaats geen redelijk alternatief was. De rechtbank vond dat de aangeboden maatregelen, zoals een antisliplaag en oplaadpunt, de parkeerplaats geschikt maakten. Ook was er weinig kans op diefstal of vandalisme. Omdat de VvE redelijke alternatieven had geboden, werd het verzoek om vervangende machtiging afgewezen. [Verzoekende partij] werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de VvE, begroot op €677,00.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2026:1340
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.



