In deze zaak stonden twee Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) tegenover elkaar: VvE [naam 1] en VvE [naam 2]. Het conflict draaide om de onderhoudskosten van een gedeeld parkeerterrein. VvE [naam 1] had onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren en wilde dat VvE [naam 2] de helft van de kosten betaalde, zoals vastgelegd in een erfdienstbaarheid. VvE [naam 2] was het daar niet mee eens en diende een tegenvordering in om bepaalde wijzigingen aan het terrein ongedaan te maken en het verhuren van delen van het terrein aan derden te verbieden. De rechter besliste dat VvE [naam 2] alleen moet bijdragen aan noodzakelijke onderhoudskosten.
Achtergrond van het geschil over onderhoudskosten
Het geschil begon toen VvE [naam 1] in 2024 VvE [naam 2] dagvaardde om haar deel van de onderhoudskosten van het parkeerterrein te betalen. De kosten bedroegen bijna 66.000 euro, waarvan VvE [naam 1] verwachtte dat VvE [naam 2] bijna 33.000 euro zou bijleggen. De erfdienstbaarheid tussen de VvE’s bepaalde dat beide verantwoordelijk waren voor de helft van de kosten.
Bezwaren van VvE [naam 2]
VvE [naam 2] betwistte de noodzaak van het groot onderhoud en voerde aan dat er geen overleg was geweest over de werkzaamheden. Bovendien wees zij erop dat het terrein volledig was gerenoveerd met extra voorzieningen zoals parkeerpaaltjes en verlichting, die volgens hen niet noodzakelijk waren. VvE [naam 2] stelde dat alleen de kosten voor noodzakelijk onderhoud, zoals herbestrating en belijning, gedeeld moesten worden.
Oordeel van de rechtbank over onderhoudskosten
De rechtbank oordeelde dat VvE [naam 1] moest aantonen welke delen van het parkeerterrein herbestraat moesten worden uit noodzaak. Ook moest VvE [naam 1] bewijzen dat de kosten voor herbestraten en belijning marktconform waren. VvE [naam 2] hoefde alleen bij te dragen aan deze noodzakelijke kosten. De aanvullende voorzieningen vielen buiten de verplichting van de erfdienstbaarheid.
Besluit over de tegenvorderingen
De rechtbank verklaarde de tegenvorderingen van VvE [naam 2] niet-ontvankelijk. De parkeerpaaltjes mochten blijven staan omdat VvE [naam 2] niet voldoende had aangetoond dat ze onveilig waren. Ook mocht VvE [naam 1] een parkeerplaats blijven verhuren aan een derde, omdat dit het gebruiksrecht van VvE [naam 2] niet significant beperkte.
Mogelijkheid tot schikking
De rechtbank adviseerde beide partijen om opnieuw in overleg te gaan over een mogelijke schikking, gezien de kosten en inspanning die verdere bewijsvoering met zich mee zou brengen. Mediation werd als optie voorgesteld. De zaak werd aangehouden totdat er meer duidelijkheid was over de bewijsvoering en mogelijke schikking.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2025:7506
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




