Een geschil over het bestuurderschap van Casa Vastgoedmanagement leidde tot een juridische strijd tussen een appartementseigenaar en de Vereniging van Eigenaars (VvE). Het conflict draaide om de vraag of Casa Vastgoedmanagement rechtsgeldig als bestuurder kon optreden voor de VvE. De rechtbank en het gerechtshof oordeelden beide dat Casa zijn positie als bestuurder rechtsgeldig bekleedde.
De achtergrond van het VvE-conflict
Het conflict begon met een beroepschrift van de appartementseigenaar en een subvereniging tegen een eerdere beschikking van de rechtbank Den Haag. De geschillen gingen terug tot een splitsingsakte uit 1970, waarbij een pand werd gesplitst in zes appartementsrechten. Casa Vastgoedmanagement trad op als professioneel bestuurder. In 2005 werd het splitsingsreglement gewijzigd, waarbij twee subverenigingen werden opgericht.
Beschuldigingen tegen Casa Vastgoedmanagement
In 2017 en opnieuw in 2021 probeerden de appellant en de subvereniging Casa Vastgoedmanagement te ontslaan als bestuurder. Ze beweerden dat Casa onrechtmatig handelde. Deze besluiten werden echter nietig verklaard, omdat de vergaderingen niet bevoegd waren om dergelijke beslissingen te nemen.
Rechtbank wijst verzoeken af
Bij de rechtbank verzochten de appellant en de subvereniging om vernietiging van notulen, royement van Casa als bestuurder en schadevergoeding. De rechtbank wees deze verzoeken af, verwijzend naar een eerder arrest dat de positie van Casa als bestuurder bevestigde. Het hof concludeerde dat er geen juridische basis was voor de vorderingen.
Oordeel van het gerechtshof
In hoger beroep voerde de appellant zes grieven aan. Het gerechtshof oordeelde echter dat de notariële splitsingsakte en de wijzigingsakte bevestigden dat er slechts één Hoofd-VvE bestond. De argumenten van de appellant, inclusief vermeende uitspraken van een notaris, overtuigden het hof niet. Het hof wees de vordering om Casa te ontslaan af, omdat de vergaderingen niet bevoegd waren om dat besluit te nemen.
Verplichting tot betaling van proceskosten
Het gerechtshof bekrachtigde de beslissing van de rechtbank Den Haag. De appellant werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €3.404,-. Het hof waarschuwde dat verdere procedures over hetzelfde onderwerp kunnen leiden tot veroordeling in de werkelijke kosten van de advocaat van de tegenpartij wegens onrechtmatig procederen.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:GHDHA:2025:634
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




