In een recente zaak bij de Rechtbank Midden-Nederland stond een appartementseigenaar tegenover de Vereniging van Eigenaars (VvE) vanwege een geschil over de afhandeling van brandschade. De eigenaar, aangeduid als [eiser], wilde inzicht in hoe de verzekeringsuitkering was besteed na een brand in zijn appartement. De VvE had het herstel uitbesteed aan een firma genaamd [bedrijf] B.V. en had de vordering op de verzekeringsmaatschappij aan hen overgedragen.
[Eiser] eiste van de VvE de overhandiging van diverse documenten, waaronder de akte van cessie, facturen, een financiële eindafrekening en bankafschriften die de betalingen zouden bevestigen. Ook wilde hij dat de VvE alle redelijke maatregelen zou nemen om deze documenten bij [bedrijf] te verkrijgen.
Bevoegdheid van de kantonrechter
De VvE stelde echter dat de kantonrechter niet bevoegd was om van het geschil kennis te nemen en vroeg om verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank. De kantonrechter moest daarom eerst beoordelen of hij bevoegd was om de zaak te behandelen.
De kwestie draaide om het recht op inzage in documenten, zoals geregeld in de artikelen 196 tot 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Omdat er geen civiele procedure aanhangig was waarbij deze documenten nodig waren, beschouwde de kantonrechter het verzoek als een voorlopige bewijsverrichting.
Juridische overwegingen
Volgens artikel 197 lid 1 Rv moet een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen worden ingediend bij de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn als de zaak aanhangig wordt gemaakt. Hieruit bleek dat de kantonrechter slechts bevoegd was als de zaak onder zijn jurisdictie zou vallen. Artikel 5:138 van het Burgerlijk Wetboek, dat [eiser] aanhaalde, was volgens de rechter niet van toepassing omdat het geschil niet over herstel zelf ging, maar over de afhandeling ervan.
Verwijzing naar de handelskamer
De kantonrechter concludeerde dat hij niet bevoegd was en dat de zaak moest worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Dit betekende dat [eiser] en de VvE in het vervolg van de procedure alleen bij advocaat konden procederen.
Proceskosten en procedurefouten
De kantonrechter veroordeelde [eiser] tot betaling van de proceskosten van de VvE, omdat hij in het ongelijk was gesteld. Ook merkte de rechter op dat [eiser] de zaak met een verzoekschrift had moeten beginnen in plaats van een dagvaarding, wat een procedurefout was.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2026:3726
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




