In deze zaak stond een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) tegenover de VvE zelf. Het lid, aangeduid als [verzoeker], wilde een vervangende machtiging verkrijgen om een parkeerplaats commercieel te mogen verhuren. De VvE had dit verzoek afgewezen op basis van de splitsingsakte, waarin staat dat de parkeerplaatsen alleen voor appartementseigenaren zijn bedoeld. De rechtbank besliste dat de VvE terecht handelde en wees het verzoek af.
Verzoek om vervangende machtiging voor verhuur
Op 27 december 2024 diende [verzoeker] een verzoekschrift in bij de rechtbank. [Verzoeker] wilde een vervangende machtiging om een parkeerplaats te verhuren, omdat de VvE eerder tijdens een vergadering op 26 november 2024 had besloten geen toestemming te geven. [Verzoeker] vond dat de VvE zonder redelijke grond had gehandeld en vroeg ook om vernietiging van het VvE-besluit.
Splitsingsakte en parkeerplaatsgebruik
Het gebouw waar het geschil over gaat, is gesplitst in 42 appartementsrechten. Volgens de splitsingsakte zijn de parkeerplaatsen bestemd voor de appartementseigenaren zelf. Commerciële exploitatie is niet toegestaan. Dit was een belangrijk punt in de zaak omdat de splitsingsakte de basis vormt voor de rechten en plichten van de eigenaren.
Rechterlijke overwegingen
De rechtbank moest beoordelen of de VvE zonder redelijke grond de verhuur had geweigerd. De rechter oordeelde dat de VvE bevoegd is regels op te stellen voor het gebruik van de parkeerplaatsen. De splitsingsakte was hierin doorslaggevend: parkeerplaatsen zijn bedoeld voor eigen gebruik en niet voor verhuur aan derden. De VvE’s beleidskeuze om commerciële verhuur te verbieden werd gerespecteerd.
Afwijzing van aanvullende verzoeken
Tijdens de mondelinge behandeling op 2 juni 2025 bracht [verzoeker] nieuwe verzoeken in om het besluit van de VvE nietig te verklaren. Deze werden niet behandeld omdat ze niet in het oorspronkelijke verzoekschrift stonden. Dit was in strijd met de goede procesorde, en de VvE kon zich hier niet op voorbereiden.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank besloot dat de VvE een redelijke grond had om verhuur van de parkeerplaats te weigeren. Het verzoek om een vervangende machtiging werd afgewezen. [Verzoeker] moest de proceskosten van de VvE betalen, begroot op €609,50, en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2025:4353
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




