In deze zaak stond de vraag centraal of een koopovereenkomst geldig was zonder schriftelijke vastlegging. De eiser, die eigenaar was van twee appartementsrechten, had een pand verkocht aan de gedaagden. Deze weigerden echter het pand af te nemen, omdat er problemen waren met de woonbestemming en de toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) voor een dakopbouw. De eiser vorderde nakoming van de koopovereenkomst, terwijl de gedaagden aanvoerden dat er niet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek was voldaan.
Verloop van de kooponderhandelingen
De gedaagden hadden de vraagprijs van € 699.000,– geboden voor het pand, zonder voorbehoud voor financiering. Hoewel er aanvankelijk geen bezichtiging was gepland, kenden de gedaagden het pand al doordat hun vennootschap eerder het bedrijfsgedeelte had gehuurd. Een eerste concept koopakte werd door de notaris opgesteld, maar de definitieve leveringsdatum en de betrokken kopers waren nog onduidelijk. Uiteindelijk werd afgesproken dat de levering op 3 januari 2026 zou plaatsvinden, met een overeengekomen vertragingsvergoeding van € 8.080,–. De tweede concept koopakte vermeldde echter de vennootschap van de gedaagden als koper in plaats van de gedaagden zelf.
Argumenten van partijen
De eiser stelde dat de koopovereenkomst geldig was en nagekomen moest worden, ondanks het ontbreken van een schriftelijk contract. Hij meende dat artikel 7:2 BW niet van toepassing was omdat het pand niet uitsluitend als woonruimte diende en de gedaagden het als belegging kochten. De gedaagden daarentegen beriepen zich op het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst, zoals vereist voor consumentenkoop van onroerend goed, omdat het pand ook een woonbestemming had en zij het voor hun schoonmoeder wilden aanschaffen.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagden als consument-kopers bescherming genoten onder artikel 7:2 BW. Het schriftelijkheidsvereiste was van toepassing omdat het pand, al dan niet gedeeltelijk, een woonbestemming had. De rechter benadrukte dat dit vereiste ook geldt voor woningen die voor familieleden worden gekocht. Omdat er geen schriftelijke vastlegging van de koopovereenkomst was, verklaarde de rechter de overeenkomst nietig. De vordering van de eiser om de koopovereenkomst na te komen werd afgewezen, evenals de vordering betreffende de vertragingsvergoeding, die verbonden was aan de nietige overeenkomst.
Proceskosten
De eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de gedaagden, begroot op € 2.780,00. Dit bedrag dient binnen veertien dagen te worden voldaan, met bijkomende kosten bij niet-tijdige betaling. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2026:1673
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




