In een recente zaak bij de rechtbank Den Haag moest een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) een dwangsom betalen vanwege niet verholpen onderhoudsgebreken aan een pand. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had de dwangsom opgelegd en besloten tot invordering nadat bleek dat de gebreken niet binnen de gestelde termijn waren hersteld. De rechtbank oordeelde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die zouden rechtvaardigen dat van invordering werd afgezien.
Achtergrond van de dwangsom
De problemen begonnen toen toezichthouders op 23 september 2019 constateerden dat het pand niet voldeed aan het Bouwbesluit 2012. Hierop volgde op 5 december 2019 een besluit waarin een last onder dwangsom werd opgelegd. De VvE kreeg tot 10 april 2020 de tijd om de gebreken te herstellen. Door interne problemen binnen het college werd niet tijdig gecontroleerd of aan deze last was voldaan, wat leidde tot een nieuwe last onder dwangsom op 16 maart 2022.
Nieuwe inspectie en invordering
Op 9 augustus 2022 werd opnieuw een inspectie uitgevoerd, waarbij bleek dat de gebreken nog steeds niet waren verholpen. Het college besloot daarom op 19 oktober 2022 over te gaan tot invordering van de dwangsom. Deze beslissing werd zowel aan de eiser als aan het andere VvE-lid, [bedrijf] B.V., gericht.
Argumenten van de eiser
De eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en dat er wel degelijk werkzaamheden waren uitgevoerd. Daarnaast vond de eiser dat de VvE had moeten worden aangeschreven. De rechtbank wees deze argumenten af, omdat de eiser geen rechtsmiddelen had ingezet tegen de oorspronkelijke last, waardoor deze onherroepelijk werd.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat belanghebbenden in de procedure tegen de invorderingsbeschikking niet succesvol gronden kunnen aanvoeren die zij in de oorspronkelijke procedure hadden kunnen aanvoeren, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Deze waren volgens de rechtbank niet aangetoond door de eiser. Het college had zowel de VvE als de eiser aangesproken in de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank concludeerde dat het college terecht overging tot invordering van de dwangsom. Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard, wat betekende dat de eiser geen gelijk kreeg. Er was ook geen grond voor een vergoeding van de proceskosten of teruggave van het betaalde griffierecht. Partijen hebben nog de mogelijkheid om binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:26979
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




