In een zaak bij de rechtbank Rotterdam stond een appartementseigenaar uit Almere tegenover de gemeente Rotterdam. Hij stelde dat een PowerNEST-installatie op het dak van zijn appartementencomplex in Rotterdam geluidsoverlast veroorzaakte. Hij vroeg de rechter om het college van burgemeester en wethouders te verplichten handhavend op te treden. De rechter oordeelde echter dat er geen sprake was van overschrijding van de geluidsnormen en wees het verzoek af.
Verzoek om handhaving afgewezen
De eigenaar van het appartement klaagde dat de PowerNEST-installatie, die duurzame energie opwekt, geluidsoverlast veroorzaakte. Hij beweerde dat hij hierdoor niet in zijn woning kon wonen en daardoor dubbele woonlasten had. Hij diende een verzoek tot handhaving in bij de gemeente, dat werd afgewezen. Vervolgens vroeg hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
PowerNEST-installatie op het dak
De PowerNEST-installatie op het dak van het complex bestaat uit windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen. De omgevingsvergunning voor het complex werd in 2019 verleend. Na de oplevering van zijn appartement in mei 2022, diende de eigenaar in oktober 2025 een verzoek tot handhaving in. Op 15 januari 2026 vond de zitting plaats waarin alle betrokken partijen hun standpunten toelichtten.
Geen overschrijding van geluidsnormen
De voorzieningenrechter moest beoordelen of de PowerNEST-installatie de geluidsnormen overschreed. Het rapport van LBP Sight, dat door de verzoeker werd aangehaald, concludeerde dat de geluidsnorm van 30 dB niet werd overschreden zolang de windsnelheid onder 14 m/s bleef. De turbines zouden bovendien uitschakelen bij hogere windsnelheden. De rechter vond het rapport overtuigend en de verzoeker had geen tegenrapport ingediend.
Rechter geeft geen gehoor aan verzoek
Op basis van de beschikbare informatie oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen sprake was van een overtreding van de geluidsnormen. Het college van burgemeester en wethouders was daarom niet verplicht handhavend op te treden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, en er was geen reden voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep of verzet worden aangetekend.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2026:872
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




