In deze zaak stond een VvE-besluit over dwangsommen en bestuursdwang centraal. De rechtbank Den Haag vernietigde een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit besluit betrof lasten onder dwangsom en bestuursdwang die waren opgelegd aan een stichting en een derde partij. De eiser was van mening dat deze lasten niet voldeden aan de vereiste specificaties en stelde beroep in nadat zijn bezwaren ongegrond waren verklaard. De rechter oordeelde dat het college de bezwaren van de eiser ten onrechte niet inhoudelijk had beoordeeld, maar besloot dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven.
Verzoek tot handhaving en opgelegde dwangsommen
Op 22 januari 2021 ontdekte een toezichthouder dat er twee woningen in een pand aanwezig waren, zonder toestemming van de VvE en in strijd met het bestemmingsplan. De eiser diende op 31 maart 2021 een verzoek tot handhaving in. Hierop legde het college op 30 april 2021 een last onder dwangsom op om de bouwkundige splitsing ongedaan te maken. Later volgden nog een tweede last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang.
Bezwaren en beroep van de eiser
De eiser maakte bezwaar tegen de opgelegde lasten, maar het college verklaarde zijn bezwaren ongegrond. Volgens het college waren de overtredingen inmiddels beëindigd doordat de vereiste herstelmaatregelen waren getroffen. De eiser was het hier niet mee eens en stelde beroep in, omdat hij vond dat de herstelmaatregelen niet voldoende waren en niet leidden tot de laatst vergunde situatie van het pand.
Rechterlijke beoordeling van het beroep
De rechtbank oordeelde dat het beroep van de eiser tegen de eerste lasten onder dwangsom niet-ontvankelijk was. De eiser had namelijk geen bezwaar gemaakt tegen de oorspronkelijke besluiten van 30 april 2021. De rechtbank vond dat hij dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Voor het tweede besluit concludeerde de rechtbank dat het college ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren had nagelaten. Hoewel het besluit werd vernietigd, bleven de rechtsgevolgen in stand omdat de inhoudelijke bezwaren van de eiser ongegrond werden bevonden.
Proceskostenvergoeding en schadevergoeding
De rechtbank wees het verzoek van de eiser om proceskostenvergoeding in bezwaar en een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen af. Wel kende de rechtbank een schadevergoeding toe vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, zij het slechts eenmaal voor een gelijktijdig behandelde zaak. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de eiser en moest het door de eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2026:6605
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




