In deze zaak oordeelde de rechtbank Den Haag over een conflict rondom illegale pandsplitsing. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had een last onder dwangsom opgelegd vanwege de splitsing van een pand zonder toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) en in strijd met het bestemmingsplan. De huurders van het pand vochten deze maatregel aan, maar de rechtbank bevestigde de rechtmatigheid van de dwangsom. Wel kende de rechtbank een schadevergoeding toe aan een derde partij vanwege de lange duur van de procedure.
Illegale pandsplitsing door eigenaar
De kwestie kwam aan het licht toen een toezichthouder opmerkte dat het pand aan [adres 1] illegaal was gesplitst in twee woningen. De VvE en een eigenaar van een aangrenzend pand vroegen het college om handhaving. Op 30 april 2021 legde het college een dwangsom op aan de stichtingen die verantwoordelijk waren voor de splitsing. De huurders van de woningen maakten bezwaar en stelden dat hun rechten door deze handhaving werden geschonden.
Bezwaar huurders tegen dwangsom
De huurders, die niet aanwezig waren tijdens de zitting op 18 december 2025, voerden aan dat de handhaving onevenredig was en hun rechten onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schond. Het college betoogde dat de splitsing in strijd was met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en dat handhaving noodzakelijk was omdat legalisatie niet mogelijk was.
Rechtbank bevestigt rechtmatigheid dwangsom
De rechtbank oordeelde dat de dwangsom terecht was opgelegd. De huurders kregen voldoende tijd om alternatieve woonruimte te zoeken, en de rechter vond de handhaving gerechtvaardigd. Het beroep op artikel 8 EVRM werd afgewezen, omdat de inmenging in de rechten van de eisers bij wet was voorzien en noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Schadevergoeding voor overschrijding redelijke termijn
De derde partij verzocht om schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure. De rechtbank stelde vast dat de behandeling van de zaak te lang had geduurd, met een overschrijding van twee jaar en negen maanden. Daarom kende de rechtbank een schadevergoeding van €3.000 toe aan deze partij. Dit bedrag moest door de Staat der Nederlanden worden betaald, aangezien de vertraging grotendeels aan de rechtbank zelf was toe te rekenen.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2026:6601
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.



