In een kort geding bij de rechtbank Limburg stond de verdeling van een hoeve centraal, die oorspronkelijk in appartementsrechten was gesplitst. De erfgenamen, elk voor de helft eigenaar, wilden de hoeve verdelen in twee afzonderlijke kadastrale percelen om verdere samenwerking binnen de VvE te vermijden. De vraag was of een van de erfgenamen, de gedaagde, verplicht kon worden mee te werken aan een notariële akte die de splitsing officieel zou maken. De rechter besliste dat de gedaagde moest meewerken aan het passeren van de akte.
Verloop van de procedure
De zaak begon met een dagvaarding in maart 2024 en omvatte meerdere zittingen en schriftelijke uitwisselingen. De kwestie kwam voort uit een eerdere verdeling van de nalatenschap door een vonnis in april 2020, waarbij beide erfgenamen een deel van de appartementen in de hoeve kregen toegewezen. Vanwege voortdurende conflicten binnen de VvE besloten de partijen de hoeve te verdelen in twee onafhankelijke percelen, waarbij Team Notarissen in Maastricht werd ingeschakeld om de notariële akte op te stellen.
Weigering om de notariële akte te ondertekenen
Hoewel beide partijen akkoord gingen met de inhoud van de notariële akte, weigerde de gedaagde deze te ondertekenen. Hij stelde dat de eiser eerst een stuk grond moest verwijderen dat wateroverlast veroorzaakte op zijn perceel. De eiser betwistte het bestaan van deze afspraak en was van mening dat er geen verplichting tot verwijdering bestond. Hierdoor ontstond vertraging in de ondertekening, terwijl de eiser de aan hem toebedeelde percelen al had verkocht en de kopers hun eigen woning reeds hadden verkocht.
Rechterlijke beslissing over de notariële akte
De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was van een overeenkomst waarin de eiser verplicht werd de grond te verwijderen als voorwaarde voor de ondertekening van de akte. De rechter gaf aan dat een dergelijke afspraak in een bodemprocedure verder onderzocht zou moeten worden, maar dat in dit kort geding de vordering van de eiser voor toewijzing gereed lag. De rechter stelde dat de inhoud van de notariële akte zelf niet in geschil was.
Verplichting tot ondertekening en proceskosten
De voorzieningenrechter veroordeelde de gedaagde om op een door de notaris te bepalen dag te verschijnen en de akte te ondertekenen. Indien hij hieraan niet zou voldoen, zou het vonnis in de plaats van zijn handtekening treden, conform artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank compenseerde de proceskosten tussen de partijen, gezien hun familierelatie, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBLIM:2026:2172
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




