In november 2025 deed de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak in een zaak over permanente bewoning op een bungalowpark. De Vereniging van Eigenaren (VvE) van het park stond tegenover een bewoner die het park als hoofdverblijfplaats gebruikte, ondanks dat het VvE-reglement dit zonder gemeentelijke toestemming verbiedt. Hoewel de gemeente geen formele toestemming had verleend, had zij laten weten niet te handhaven op permanente bewoning. De rechtbank oordeelde dat de VvE niet kon eisen dat de bewoning werd beëindigd, gelet op de mededeling van de gemeente en de persoonlijke omstandigheden van de bewoner.
Conflict over permanente bewoning bungalowpark
De VvE startte een juridische procedure tegen de bewoner vanwege het schenden van het reglement dat permanente bewoning verbiedt. De bewoner voerde als verweer aan dat zij erop mocht vertrouwen dat er niet gehandhaafd zou worden, aangezien de gemeente had aangegeven niet op te treden tegen permanente bewoning in afwachting van nieuwe wetgeving. De bewoner beroept zich daarnaast op haar gezondheidssituatie en de noodzaak van de gelijkvloerse woning op het park.
Juridische positie van de VvE
Tijdens het proces werd ook de juridische positie van de VvE onder de loep genomen. Er was een volmacht verstrekt aan de VvE om juridische stappen te ondernemen, maar de bewoner betwistte de volledigheid hiervan. De rechtbank oordeelde dat de VvE ontvankelijk was in haar vorderingen, omdat de volmacht voldeed aan de vereisten.
Persoonlijke omstandigheden van de bewoner
De rechtbank overwoog dat de VvE onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de bewoner. De bewoner kampte met fysieke beperkingen en had behoefte aan de gelijkvloerse woning op het park. Bovendien had de inmiddels overleden echtgenoot van de bewoner ook invloed gehad op de beslissing om op het park te wonen.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank besloot dat de VvE niet kon eisen dat de bewoner haar verblijf zou beëindigen. Hoewel de bewoner formeel in strijd handelde met de reglementen, vond de rechtbank dat het niet-handhavingsbeleid van de gemeente leidde tot gerechtvaardigd vertrouwen bij de bewoner dat ook de VvE niet zou handhaven. De VvE had naar redelijkheid en billijkheid moeten handelen en de persoonlijke omstandigheden van de bewoner meer moeten meewegen.
De rechtbank wees de vorderingen van de VvE af en veroordeelde de VvE tot betaling van de proceskosten van de bewoner. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de kosten moet betalen, ook als zij in hoger beroep gaat.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2025:5922
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




