In een zaak voor de rechtbank Midden-Nederland stond een appartementseigenaar tegenover de Vereniging van Eigenaren (VvE) van een appartementencomplex. Het conflict draaide om een VvE-besluit om een aanbiedingsplicht voor parkeerplaatsen in de splitsingsakte op te nemen. De eigenaar was het hier niet mee eens en stelde dat het besluit nietig was omdat het zonder unanieme instemming van alle appartementseigenaars was genomen. De rechter gaf de eigenaar gelijk en verklaarde het besluit nietig.
De aanleiding voor het conflict over de aanbiedingsplicht
Het geschil ontstond na een algemene ledenvergadering van de VvE, waarin een besluit werd genomen over een aanbiedingsplicht bij de overdracht of verhuur van parkeerplaatsen. Dit besluit werd genomen met een meerderheid van stemmen, maar zonder unanieme goedkeuring van alle appartementseigenaars. Volgens de splitsingsakte, waarin de parkeerplaatsen zijn opgenomen, was medewerking van alle eigenaren vereist voor dergelijke wijzigingen.
Koop en eigendomsrecht van de parkeerplaats
De eiser had in december 2023 een parkeerplaats in de parkeerkelder van het appartementencomplex gekocht. Tijdens de algemene ledenvergadering op 10 mei 2022 was een aanbiedingsplicht voor verkoop of verhuur van parkeerplaatsen en bergingen vastgesteld in het Huishoudelijk Reglement. Op 10 april 2025 werd besloten deze aanbiedingsplicht in de splitsingsakte op te nemen, hetgeen leidde tot het betwiste besluit. De eiser vond dat het besluit zijn eigendomsrecht beperkte en dat daarom de medewerking van alle eigenaren nodig was.
Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter oordeelde dat het VvE-besluit over de aanbiedingsplicht een daad van beschikking betrof, waarvoor medewerking van alle appartementseigenaars nodig is volgens artikel 5:139 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De wijziging van de splitsingsakte had gevolgen voor de eigendomsverhoudingen en kon daarom niet door een meerderheidsbesluit worden opgelegd. Hierdoor werd het besluit nietig verklaard.
Uitspraak over de proceskosten
De kantonrechter veroordeelde de VvE tot het vergoeden van de proceskosten van de eiser, aangezien de VvE grotendeels in het ongelijk was gesteld. De proceskosten werden begroot op €733,42, inclusief dagvaarding, griffierecht en salaris van de gemachtigde. Het verzoek van de eiser om niet bij te dragen aan de proceskosten van de VvE werd afgewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke basis voor een dergelijke uitzondering.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2026:2135
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




