In een kort geding voor de rechtbank Noord-Holland stonden enkele appartementseigenaren tegenover hun Vereniging van Eigenaars (VvE). De eigenaren eisten de aanstelling van een tijdelijk bestuur, uitvoering van rechtsgeldige besluiten en een dwangsom voor de VvE. Zij stelden dat er sprake was van een slecht functionerend bestuur en financiële onduidelijkheden, waardoor spoedeisend optreden noodzakelijk was. De rechter wees de vorderingen echter af, omdat er inmiddels een nieuwe voorzitter was benoemd, waardoor het spoedeisend belang ontbrak.
Procesverloop en achtergrond van het geschil
Het conflict begon toen de eisers hun klachten tegen de VvE via een dagvaarding bij de rechtbank brachten. Deze appartementseigenaren, allen lid van de VvE, waren ontevreden over het bestuur dat sinds de oprichting van de VvE op 30 november 2020 in handen was van een extern beheerbedrijf. Tijdens een algemene ledenvergadering (ALV) op 8 oktober 2025 werden nieuwe bestuursleden en een nieuwe beheerder benoemd. Vanwege vermeende onregelmatigheden, zoals een gebrek aan quorum, werden deze besluiten op 27 oktober 2025 herzien.
Een interne controlecommissie ontdekte dat sommige stemmen ongeldig waren, waardoor de rechtsgeldigheid van besluiten ter discussie stond. Dit leidde tot onenigheid binnen de VvE en het terugtreden van enkele bestuursleden, inclusief de eisers, op 11 november 2025. Op 16 maart 2026 werd een nieuwe voorzitter benoemd tijdens een ALV, wat volgens de VvE het bestuursprobleem oploste.
Argumenten van beide partijen
De eisers voerden aan dat een tijdelijk bestuur noodzakelijk was, omdat de bestuurlijke chaos en de financiële onduidelijkheden hun belangen schaadden. Zij eisten ook de uitvoering van eerdere rechtsgeldige besluiten. De VvE betwistte de ontvankelijkheid van de vorderingen, met het argument dat de benoeming van een nieuwe voorzitter het spoedeisend belang wegnam.
Oordeel van de rechtbank
De rechter beoordeelde of er een spoedeisend belang was dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. De benoeming van de nieuwe voorzitter op 16 maart 2026 bleek rechtsgeldig en beëindigde volgens de rechter het bestuursvacuüm binnen de VvE. De rechter vond daarom geen reden om de vorderingen toe te wijzen. Hij benadrukte dat het in het belang van alle partijen was om de communicatie binnen de VvE te herstellen, in lijn met de statuten.
De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde de eisers tot betaling van de proceskosten van de VvE, begroot op € 2.101,00. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct kan worden uitgevoerd, ongeacht een eventueel hoger beroep.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBNHO:2026:3891
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




