De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een vordering die door een bedrijf, [eiser], is ingediend tegen de Vereniging van Eigenaars (VvE) van appartementencomplex De Klef II in Ewijk. [eiser] vordert betaling van een totaalbedrag van € 10.925,77 voor verrichte onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de liftinstallatie van het gebouw. De VvE heeft een deel van de facturen onbetaald gelaten en is het niet eens met de vordering. De rechtbank heeft de zaak beoordeeld en een uitspraak gedaan over welke facturen wel en niet betaald moeten worden door de VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van [eiser] waarin betaling werd geëist voor diverse facturen die betrekking hebben op onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de liftinstallatie van de VvE. Deze werkzaamheden zijn deels uitgevoerd op basis van een bestaande serviceovereenkomst met [eiser] of haar rechtsvoorganger. De VvE betwistte de verschuldigdheid van de bedragen op de facturen en voerde aan dat de opdrachten voor de werkzaamheden niet altijd door bevoegde personen waren verstrekt.
De VvE erkende wel dat er sinds 2002 een serviceovereenkomst met [eiser]’s rechtsvoorganger bestond, maar betoogde dat deze niet automatisch overging op [eiser] na een fusie van bedrijven. Daarnaast voerde de VvE aan dat de voorwaarden van de serviceovereenkomst onbekend waren gebleven.
De facturen die betrekking hadden op onderhoud en reparaties waren door [eiser] verspreid over meerdere jaren verzonden. Onder de betwiste facturen werden er enkele specifiek aangehaald waarop de VvE niet tot betaling was overgegaan, omdat de opdrachten voor de werkzaamheden niet door een bevoegde persoon binnen de VvE waren verstrekt. [eiser] stelde daarentegen dat deze opdrachten inderdaad waren verstrekt door personen die destijds in het bestuur van de VvE zaten of daartoe bevoegd waren.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de serviceovereenkomst inderdaad was overgegaan op [eiser] na de fusie met [naam bedrijf]. De overeenkomsten blijven in dergelijke gevallen bestaan, en er was geen noodzaak voor een nieuwe overeenkomst met de VvE. Het bewijs dat de VvE jarenlang diensten heeft afgenomen van [eiser], inclusief betalingen voor 2021, sterkte het oordeel dat de VvE op de hoogte was van de fusie en de voortzetting van de afspraken.
Wat de facturen betreft die zien op de jaren 2022 tot 2025, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze betaald moeten worden voor zover zij betrekking hebben op de serviceovereenkomst. In totaal werd een bedrag van € 3.932,69 toegewezen.
Voor de facturen die betrekking hadden op reparatiewerkzaamheden, heeft de rechtbank vastgesteld dat slechts een deel van de opdrachten rechtmatig was verstrekt door een bevoegde persoon binnen de VvE, namelijk de penningmeester [naam betrokkene 2]. Deze facturen, met een totaalbedrag van € 1.731,10, moesten ook worden voldaan.
De overige facturen werden afgewezen omdat zij waren verstrekt door een persoon die niet bevoegd was om namens de VvE opdrachten te geven. De rechtbank vond dat [eiser] had moeten verifiëren wie bevoegd was om dergelijke opdrachten te verstrekken, bijvoorbeeld door het Handelsregister te raadplegen.
De rechtbank kende aan [eiser] een bedrag aan wettelijke handelsrente toe over de toegewezen hoofdsom vanaf de respectieve data van opeisbaarheid. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden deels toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 658,18, conform de geldende tarieven.
Tot slot werd de VvE veroordeeld in de proceskosten, die werden vastgesteld op € 1.529,35. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het direct uitvoerbaar is, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




