De zaak in het kort
In de zaak die voor de rechtbank Limburg werd gebracht, draaide het om een geschil tussen twee eisende partijen, eigenaren van een appartementsrecht, en ReDo Projects II B.V., een energieleverancier die de exploitatie verzorgt van een warmte-koude opslag (WKO)-installatie. Het conflict ontstond nadat ReDo, na overname van de exploitatie van de WKO-installatie, een exploitatieovereenkomst had opgesteld die door de Vereniging van Eigenaren (VvE) was goedgekeurd, maar waar de individuele appartementseigenaren, de eisende partijen, niet mee hadden ingestemd. De eisende partijen hadden reeds een afzonderlijke leveringsovereenkomst met ReDo en maakten bezwaar tegen de extra kosten en voorwaarden die in de nieuwe exploitatieovereenkomst waren opgenomen. De eisende partijen voerden aan dat de exploitatieovereenkomst in strijd was met hun individuele leveringsovereenkomst en dat zij niet gebonden waren aan de door de VvE goedgekeurde voorwaarden.
Het verloop van het proces en de feiten
De eisende partijen zijn sinds 2007 eigenaar van een appartement in een complex dat via een WKO-installatie van warmte en koude wordt voorzien. Deze installatie was oorspronkelijk in beheer van Cogas Duurzaam B.V., maar de exploitatie werd in 2022 overgedragen aan ReDo. In april 2023 sloten de eisende partijen een leveringsovereenkomst met ReDo, die onder meer voorzag in kortingen op de energietarieven zoals deze voorheen door Cogas werden toegepast.
In juli 2025 stemde de VvE in met een exploitatieovereenkomst die onder andere een vastrecht koude van €24,32 per maand voor een periode van 30 jaar bevatte, dat de appartementseigenaren moesten betalen. De eisende partijen weigerden deze overeenkomst te ondertekenen, stellende dat de VvE niet bevoegd was om hen te binden aan deze voorwaarden. Ze voerden aan dat hun individuele leveringsovereenkomst en de daarin overeengekomen kortingen en voorwaarden nog steeds van kracht waren.
De eisende partijen brachten de zaak voor de rechtbank met de vordering om te verklaren dat zij niet gebonden waren aan de exploitatieovereenkomst, dat zij geen vastrecht koude verschuldigd waren, en dat de kortingen zoals opgenomen in hun leveringsovereenkomst gehandhaafd moesten blijven. Daarnaast eisten zij terugbetaling van ten onrechte geïncasseerde bedragen en vergoeding van de proceskosten.
ReDo verweerde zich door te stellen dat de exploitatieovereenkomst, goedgekeurd door de VvE, bindend was voor alle appartementseigenaren en dat de eisende partijen geen recht hadden op de gevraagde kortingen.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de eisende partijen niet gebonden waren aan artikel 5.8 van de exploitatieovereenkomst, waarin de verplichting tot betaling van vastrecht koude was opgenomen. De kantonrechter stelde vast dat de VvE niet bevoegd was om individuele appartementseigenaren te binden aan voorwaarden die hun persoonlijke overeenkomsten doorkruisten. De exploitatieovereenkomst was een collectief besluit van de VvE, maar de leveringsovereenkomst met ReDo betrof een individuele afspraak tussen de eisende partijen en ReDo.
Verder oordeelde de rechtbank dat de oude leveringsovereenkomst van april 2023, inclusief de daarin overeengekomen kortingen, nog steeds van kracht was. ReDo had ingestemd met een artikel in de leveringsovereenkomst dat door de eisende partijen was toegevoegd en waarin de kortingen werden gegarandeerd. Daarom waren de eisende partijen niet verplicht om het vastrecht koude te betalen en hadden zij recht op de kortingen zoals oorspronkelijk overeengekomen.
Het beroep van ReDo op het non-discriminatiebeginsel van de Warmtewet werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank stelde dat deze bepaling bedoeld was ter bescherming van de consument en niet door de leverancier tegen de consument kon worden gebruikt om de kortingen te ontzeggen.
De rechtbank wees de vordering tot terugbetaling van de niet verrekende kortingen af, omdat de eisende partijen de berekening hiervan niet voldoende hadden onderbouwd met de tarieven zoals die door Cogas waren gehanteerd. Wel werd vastgesteld dat de eisende partijen recht hadden op de overeengekomen kortingen, en dat partijen samen tot een juiste berekening moesten komen.
ReDo werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.124,42 en de wettelijke rente daarover als deze niet tijdig werd voldaan. De rechtbank verklaarde het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, en wees het overige gevorderde af. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




