In een bedrijfsverzamelcomplex in Amsterdam ontstond een conflict over de uitbouw van een privégedeelte door een van de appartementseigenaren, Hiawatha. Deze uitbouw vereiste een wijziging van de splitsingsakte, waarvoor de medewerking van alle eigenaren nodig was. Twee eigenaren weigerden echter hun medewerking. Zowel de kantonrechter als het gerechtshof oordeelden dat deze weigering zonder redelijke grond was. Het gerechtshof verving de medewerking van de eigenaren door een machtiging op grond van artikel 5:140 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Aanleiding van het geschil
Hiawatha verzocht om een aanbouw te realiseren aan haar appartementsrecht, wat een wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk maakte. Het plan was om drie geluidsopnamestudio’s te bouwen. Tijdens een vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) werd het bouwplan gepresenteerd, maar er werden geen besluiten genomen. De appellanten gaven aan het bouwplan niet te steunen.
Vergadering en weigering van medewerking
Op een latere vergadering werd de wijziging van de splitsingsakte besproken. De appellanten waren niet aanwezig en niet uitgenodigd. De overige eigenaren stemden in, op voorwaarde dat Hiawatha een vergoeding zou betalen voor het gebruik van de grond. De appellanten weigerden de volmacht te ondertekenen die nodig was voor de notariële wijziging.
Argumenten van de appellanten
In hoger beroep voerden de appellanten tien grieven aan. Ze stelden dat ze niet waren uitgenodigd voor de vergadering en dat er geen rechtsgeldig besluit was genomen. Dit zou een redelijke grond voor weigering zijn. Daarnaast hadden ze inhoudelijke bezwaren, zoals beperking van uitzicht, inkijkproblemen en mogelijke overlast.
Oordeel van het gerechtshof
Het hof verwierp de grieven van de appellanten. Het oordeelde dat de formele bezwaren niet relevant waren, omdat een ander wettelijk pad kon worden gevolgd om medewerking te verkrijgen. Het hof vond dat de bezwaren over uitzicht en inkijk minimaal waren en geen redelijke grond voor weigering vormden. Er was ook geen bewijs voor parkeeroverlast. De vergoeding door Hiawatha was redelijk en niet voldoende betwist.
Proceskosten en bewijsaanbod
Het hof bevestigde de veroordeling van de appellanten in de proceskosten van de eerste aanleg. Het verzoek van Hiawatha tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad werd gerechtvaardigd. Het bewijsaanbod van de appellanten werd als onvoldoende concreet afgewezen. De bestreden beschikking werd bekrachtigd en de appellanten werden in hoger beroep opnieuw in de kosten veroordeeld.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2025:1962
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




