In een conflict tussen een appartementseigenaar en een notaris stond de vraag centraal of de eigenaar recht had op een tweede parkeerplaats. De eigenaar, hierna klager genoemd, meende dat volgens de erfpachtvoorwaarden een tweede parkeerplaats moest worden verleend. De notaris had het bestuur van de Vereniging van Eigenaren (VvE) hierover geadviseerd. De rechtbank verklaarde de klacht van de klager tegen de notaris niet-ontvankelijk vanwege het ne bis in idem-beginsel.
Verloop van de procedure
Op 4 maart 2025 diende de klager een beroepschrift in bij het hof tegen een eerdere beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag. De notaris reageerde op 26 mei 2025 met een verweerschrift. Een aanvullende productie van de klager op 19 september 2025 werd door het hof buiten beschouwing gelaten. De zaak werd op 2 oktober 2025 tijdens een openbare zitting behandeld.
Discrepantie over erfpachtvoorwaarden en omgevingsvergunning
Het conflict ontstond door een meningsverschil over een tweede parkeerplaats. Volgens de klager gaven de erfpachtvoorwaarden, vastgelegd in de akte van uitgifte, recht op een extra parkeerplaats. De VvE betwistte dit, verwijzend naar de omgevingsvergunning die andere voorwaarden stelde. Een fout in de erfpachtvoorwaarden werd toegeschreven aan een ander notariskantoor.
Rol van de notaris
De notaris, betrokken als projectnotaris bij het appartementencomplex, gaf aan dat een wijziging van de akte met een gewone meerderheid van stemmen mogelijk was. De klager was het hier niet mee eens en stelde dat unanimiteit vereist was. In 2023 diende de klager een klacht in tegen de notaris, die ongegrond werd verklaard. Het hof bevestigde deze beslissing in maart 2024.
Toepassing van het ne bis in idem-beginsel
De rechtbank oordeelde dat de klacht van de klager tegen de notaris niet-ontvankelijk was vanwege het ne bis in idem-beginsel. Dit beginsel verhindert dat een klacht over hetzelfde feit opnieuw wordt beoordeeld. De huidige klacht was volgens de rechtbank niet wezenlijk anders dan de eerdere en werd daarom als herhaald beschouwd.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank vernietigde de eerdere beslissing van de kamer en verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. De rechters J.H. Lieber, O.J. van Leeuwen en T.W. van Grafhorst namen deze beslissing op 4 november 2025. De klager kan geen verdere stappen ondernemen over hetzelfde feitencomplex.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2025:8162
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




