In deze zaak draaide het om een geschil tussen appartementseigenaren en een aannemer over de verbouwing van een monumentaal pand. De eigenaren eisten een schadevergoeding vanwege gebreken aan hun privé-gedeelte en aan de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex. De rechtbank oordeelde dat de eigenaren slechts deels in hun gelijk werden gesteld. Zij konden geen vordering instellen voor de gemeenschappelijke delen, omdat alleen de Vereniging van Eigenaren (VvE) daartoe bevoegd is. Wat betreft de privé-gedeelten, kende de rechter deels een schadevergoeding toe.
Procedure over gebreken aan gemeenschappelijke delen
De eigenaren hadden de aannemer gedagvaard wegens gebreken aan zowel hun privé-gedeelte als de gemeenschappelijke delen van het complex. De rechtbank oordeelde echter dat de eigenaren niet-ontvankelijk waren in hun vordering voor de gemeenschappelijke delen. Deze bevoegdheid ligt namelijk bij de VvE. De VvE was al een arbitrageprocedure gestart tegen de aannemer over dezelfde gebreken.
Oplevering en onderhoudstermijn voor privé-gedeelte
Voor het privé-gedeelte van de eigenaren stond vast dat het appartement op 27 januari 2021 was opgeleverd. Hoewel er nog gebreken waren, vond de rechtbank dat deze van ondergeschikte aard waren en het gebruik van het appartement niet belemmerden. De onderhoudstermijn van zes maanden begon op dat moment te lopen, waardoor de aannemer in die periode gebreken moest verhelpen.
Verklaring voor recht en ontbinding
De rechtbank kende de gevorderde verklaring voor recht toe dat de aannemer tekort was geschoten in de uitvoering van de overeenkomst, omdat er nog gebreken waren. Echter, de eisers hadden onvoldoende onderbouwd waarom de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk was ontbonden. Daarom werd hun vordering op dat punt afgewezen. Ook de gevorderde contractuele boete voor ontbinding werd afgewezen.
Boete en verrekening van vorderingen
De rechtbank kende wel een boete toe voor te late oplevering, maar slechts tot de datum van feitelijke oplevering, namelijk 27 januari 2021. In reconventie bepaalde de rechtbank dat de aannemer recht had op betaling voor meerwerk, maar dat er een verrekening plaatsvond met een tegenvordering van de eisers. Na verrekening van de wederzijdse vorderingen moest de aannemer een bedrag van €9.905,22 aan de eisers betalen.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:12188
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




