In deze zaak ging het om een conflict tussen Bezu Vastgoedservice B.V. en een eenmanszaak, aangeduid als [handelsnaam], over het niet plaatsen van kozijnen in een appartementencomplex in Den Haag. Bezu had met [handelsnaam] afgesproken dat deze zowel de kozijnen zou leveren als plaatsen. De kozijnen werden wel geleverd, maar niet geplaatst, wat leidde tot de ontbinding van de overeenkomst en de eis tot terugbetaling van €29.675,25. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst terecht was ontbonden.
De aannemingsovereenkomst
Bezu Vastgoedservice had een overeenkomst gesloten met de VvE van een appartementencomplex voor het vervangen van kozijnen. Hiervoor schakelde Bezu [handelsnaam] in als onderaannemer. In de overeenkomst stond dat [handelsnaam] verantwoordelijk was voor zowel het leveren als het plaatsen van de kozijnen. Bezu betaalde twee van de drie facturen, maar de laatste factuur bleef onbetaald omdat de kozijnen niet geplaatst werden.
Het geschil
In mei 2023 ontstond er een geschil over de plaatsing van de kozijnen. Bezu ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk, nadat [handelsnaam] de kozijnen niet geplaatst had. [handelsnaam] stelde dat zij haar verplichtingen opschortte omdat Bezu de laatste betaling niet had gedaan en zij geen toegang tot de kozijnen had gekregen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank moest beoordelen of [handelsnaam] verplicht was de kozijnen te plaatsen en of Bezu de overeenkomst terecht had ontbonden. De rechtbank gebruikte de Haviltex-maatstaf, waarbij de redelijke verwachtingen en gedragingen van partijen centraal staan. De rechtbank vond dat uit de afspraken bleek dat [handelsnaam] de kozijnen ook moest plaatsen, wat onder meer bleek uit de vermelding “plaatsen” op de facturen en e-mails.
De beslissing
De rechtbank oordeelde dat Bezu de overeenkomst rechtsgeldig had ontbonden vanwege een toerekenbare tekortkoming van [handelsnaam], namelijk het niet plaatsen van de kozijnen. Het verweer van [handelsnaam] dat zij verhinderd was door Bezu, werd verworpen. De rechtbank wees ook het beroep op opschorting af, omdat de gebruikelijke betalingsafspraken in acht genomen moesten worden, waarbij de laatste betaling pas na voltooiing plaatsvindt.
Gevolgen van de uitspraak
Als gevolg van de ontbinding werd [handelsnaam] veroordeeld tot terugbetaling van €29.675,25 aan Bezu, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juni 2023. De overige vorderingen van Bezu werden afgewezen omdat de primaire vordering werd toegewezen. De vorderingen van [handelsnaam] in reconventie werden afgewezen omdat zij geen werkzaamheden had verricht om de kozijnen te plaatsen. [handelsnaam] werd ook veroordeeld in de proceskosten van Bezu.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:1754
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




