In deze zaak ging het om een conflict tussen een Vereniging van Eigenaars (VvE) en hun vorige beheerder, [bedrijf 1], over de overdracht van de administratie aan een nieuwe beheerder. De VvE had in een algemene ledenvergadering besloten de beheersovereenkomst met [bedrijf 1] te beëindigen. Na de opzegging weigerde [bedrijf 1] echter de administratie over te dragen, wat de VvE ertoe bracht een kort geding aan te spannen.
Verloop van de procedure
Op 10 januari 2025 gingen de VvE en [bedrijf 1] een beheersovereenkomst aan die een opzegtermijn van drie maanden vereiste. In een vergadering op 7 juli 2025 besloot de VvE deze overeenkomst te beëindigen vanwege een verstoorde samenwerking. Het bestuur van de VvE stelde dat [bedrijf 1] in verzuim verkeerde door contractuele tekortkomingen, waardoor de overeenkomst kon worden beëindigd.
De VvE lichtte [bedrijf 1] op 27 augustus 2025 schriftelijk in over de beëindiging per 1 september 2025. [bedrijf 1] betwistte de rechtsgeldigheid van dit besluit, onder meer vanwege vermeende procedurefouten bij de ledenvergadering.
VvE eist overdracht administratie
De VvE spande een kort geding aan om de overdracht van de administratie en toegang tot de bankrekeningen juridisch af te dwingen. De VvE betoogde dat [bedrijf 1] geen belang had bij het behouden van de administratie, die essentieel was voor de operationele continuïteit van de VvE.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De rechter oordeelde in het voordeel van de VvE. Het werd aannemelijk geacht dat de beheersovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd per 1 december 2025. Het verweer van [bedrijf 1] over de oproepingstermijn en de geldigheid van het ALV-besluit werd ongegrond bevonden. Er was geen tijdige aanvraag tot vernietiging van het besluit ingediend en er was geen reden om aan te nemen dat het besluit nietig was.
Verplichting tot overdracht en dwangsom
De rechter bepaalde dat [bedrijf 1] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de administratie aan de nieuwe beheerder moest overdragen. Ook moest [bedrijf 1] binnen zeven dagen na een schriftelijk verzoek van de VvE of de banken medewerking verlenen aan de overdracht van de bankrekeningen. Bij niet-naleving werd een dwangsom van € 500 per dag opgelegd, met een maximum van € 50.000.
Proceskosten en uitvoerbaarheid
[Bedrijf 1] werd veroordeeld in de proceskosten van de VvE, begroot op € 2.146,42. De uitspraak was uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat deze direct kon worden uitgevoerd, ongeacht eventuele hoger beroepsprocedures.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:27793
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




