In een zaak tussen twee appartementseigenaren in een pand ontstond een conflict over voorgeschoten VvE-kosten. De eiser, een mede-eigenaar, had kosten voor energie en VvE-bijdragen voorgeschoten die de andere eigenaar niet kon betalen. Hij eiste terugbetaling van deze bedragen. De rechter moest bepalen of er een overeenkomst was over het voorschieten van deze kosten en of de vordering verjaard was.
Verloop van de zaak en voorgeschoten VvE-kosten
De zaak begon met een tussenvonnis op 2 juli 2025 en werd gevolgd door een mondelinge behandeling op 24 september 2025. Beide eigenaren bezitten sinds respectievelijk 2004 en 2005 appartementsrechten in hetzelfde pand met gezamenlijke aansluitingen voor gas en elektriciteit. Volgens de splitsingsakte delen ze de kosten voor herstel en onderhoud gelijk. Echter, in de praktijk had de eiser vaak meer betaald dan zijn aandeel, omdat hij de kosten voor de gedaagde had voorgeschoten.
Informele overeenkomst over voorschieten van kosten
De eiser stelde dat er een informele overeenkomst was waarin hij ermee instemde de kosten voor de gedaagde voor te schieten, omdat zij op dat moment niet over voldoende middelen beschikte. De gedaagde betwistte dit en stelde dat ze niet op de hoogte was van de exacte bedragen. Wel erkende ze tijdens de zitting dat ze wist dat er bedragen waren voorgeschoten en toonde ze bereidheid om deze terug te betalen, mits de bedragen juist waren.
Rechter erkent overeenkomst en wijst vordering toe
De rechter oordeelde dat er sprake was van een overeenkomst tussen de partijen, gebaseerd op de erkenning van de gedaagde dat zij op de hoogte was van de regeling en haar schuld erkende in correspondentie. Het verweer van de gedaagde dat de VvE de vordering zou moeten instellen werd verworpen, omdat de eiser de betalingen in privé had gedaan. De vordering was niet verjaard, omdat de verjaringstermijn pas begon te lopen na de opeising in december 2022.
Uitspraak en proceskosten
De rechter besliste dat de gedaagde € 14.894,00 verschuldigd was aan de eiser, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 september 2025. Ook werd € 962,75 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Ondanks dat de gedaagde in het ongelijk werd gesteld, moeten beide partijen hun eigen proceskosten dragen, omdat de eiser aanvankelijk zijn vordering onvoldoende had onderbouwd. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de gedaagde de bedragen onmiddellijk moet betalen.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2025:5480
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




